vrijdag 20 januari 2012
Cluster management (1): lessen uit de Winterschool
donderdag 15 september 2011
Vergaderend naar de top in de kenniseconomie
Het bedrijvenbeleid krijgt vorm. Het kabinet gaat onderzoek fiscaal (nog) aantrekkelijker maken, buitenlandse kenniswerkers komen gemakkelijker binnen, innovatief ondernemerschap wordt gestimuleerd. En het kabinet maakt werk van de negen geselecteerde topsectoren. Binnen die sectoren moet meer in kennis geïnvesteerd worden, vooral door bedrijven (private R&D investeringen blijven achter). Ook moeten onderzoeksagenda’s en onderwijsprogramma’s beter aansluiten bij de wensen van de topsectoren. Geld voor onderzoek (NWO, TNO, maar ook universiteiten) zal langzaam maar zeker steeds meer naar deze sectoren verschuiven.
Een sectorale aanpak heeft een aantal bekende nadelen.. Je weet nooit of de winnende sectoren van vandaag ook morgen nog de beste keuze zijn. Nieuwkomers staan op achterstand, terwijl het doel juist is om innovatie te stimuleren. En ander probleem is de sterke verwevenheid tussen sectoren: denk aan de vele raakvlakken tussen de topsectoren chemie, energie, en Hightech systemen en materialen. Juist op de snijvlakken ontstaat vernieuwing. Hoe zinvol is zo’n sectorale indeling dan voor innovatiebeleid? Maar dit terzijde.
Wie niet in een stuurgroep zit telt niet mee.
De Nederlandse kenniseconomie is al jaren een vergader en lobbycarrousel, en met de nieuwe plannen wordt het er niet beter op. Binnen elk van de 9 topsectoren moeten ‘innovatiecontracten’ worden afgesloten, door partners uit de gouden driehoek (bedrijfsleven, overheid en kennisinstellingen), waaraan ‘partijen uit de hele kennisketen inhoudelijk en financieel committeren’. De huidige technologische top instituten (TTIs) moeten plaats gaan maken voor ‘Topconsortia voor Kennis en Innovatie’ (TKI’s) waarin, voortbouwend op succesvolle initiatieven, ‘meerdere partijen vraaggestuurd samenwerken aan onderzoek en valorisatie op innovatiethema’s over de gehele keten’. Dat wordt vergaderen en nog eens vergaderen, met stuurgroepen, regiegroepen, verbindingscoördinatoren, regionale overheden, brancheorganisaties, MKB clubs en noem maar op. Er gaat heel veel tijd zitten in het verdedigen van bestaande belangen, en het zoveel mogelijk onderbrengen van lopende projecten in de nieuwe structuren. Grote bedrijven en instellingen domineren het speelveld, wat de kleintjes hebben geen tijd voor dit soort werk, of ze weten de weg niet. Gelukkig is die tijd wel aftrekbaar: het kabinet ontwikkelt een fiscale maatregel waarmee bedrijven hun bijdragen aan Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) in mindering kunnen brengen op de winstbelasting (RDA+, aftrek indicatief 25%). Maar of het innovatie gaat opleveren? Het begrip innovatiecontract is natuurlijk al een contradictio in terminis.
De regio's doen het ookIntussen gebeurt er in de regio’s ook van alles. De Noordvleugel van de Randstad stimuleert ook topsectoren (bijna dezelfde als nationaal), in de Economic Development Board Amsterdam; ook hier wordt flink vergaderd en gelobbyd in zgn. “clustertafels” (er is 50 miljoen beschikbaar!), en ook hier moet de triple helix vorm krijgen. Min of meer hetzelfde gebeurt in de Zuidveugel, Twente, de Brainport (Eindhoven en omgeving), en vele andere regio’s. Afstemming tussen regio’s laat te wensen over, waardoor vaak weer niet de kritische massa wordt behaald die nodig is (zie mijn eerdere blog over life sciences, en hoe de Vlamingen dat wel goed aanpakken).
Een kenniseconomie uitbouwen is moeilijk, we moeten het nog leren. Maar ik verwacht dat de echte vernieuwing de komende jaren komt van mensen en bedrijven die niet meevergaderd hebben. En dat het toerisme de grootste groeisector van Nederland zal zijn.
vrijdag 9 september 2011
Buitenlandse investeringen in Nederlandse regio’s in Europees perspectief
Het PBL onderzocht hoeveel buitenlandse (kennisintensieve) bedrijven in Nederlandse regio’s zijn gevestigd, vergeleken met andere regio’s, en welke regionale kenmerken van invloed zouden kunnen zijn. Nederlandse regio’s worden vergeleken met topregio’s in Europa.
De studie laat zien dat regionale verschillen aanzienlijk zijn: de bulk van buitenlandse kennisbedrijven vestigt zich in een beperkt aantal stedelijke regio’s in Europa, vooral regio’s die goed bereikbaar zijn, een hoog opgeleide (en internationaal georiënteerde) beroepsbevolking hebben. Maar wat bepaalt nu precies het ‘succes’ van die regio’s? De PBL studie gaat op zoek naar deze factoren, en onderzoekt ook hoe de Nederlandse topregio’s scoren t.o.v. de Europese topregio’s. Het blijkt dat bereikbaarheid en toegang tot markten de belangrijkste verklaringen zijn voor buitenlandse investeringen in kennisintensieve bedrijven. De kennisbasis is iets minder van belang (wel belangrijk voor high-tech industrie en –diensten).
Onze toppers
Wat zijn dan de Nederlandse topregio’s in het rapport? Hou je vast, het zijn: Noord Holland (34% van alle investeringen in NL), Zuid-Holland (22%) en Noord-Brabant (15%). Vraag: Waarom naar provincies gekeken, en niet naar stedelijke agglomeraties? Antwoord: daar waren geen data van.
Nieuwe inzichten?
1. De definitiekeuze van buitenlandse investeringen roept vraagtekens op. De auteurs hebben alleen data over de eigendomstructuur van bedrijven. Dat maakt het heel lastig om onderscheid te maken tussen greenfield investeringen en meerderheidsdeelnames. Terwijl de impact van een buitenlandse overname (‘Bank of Scotland neemt een 50% belang ABN/AMRO’) heel anders is dan die van een greenfieldinvestering (‘HP opent researchcentrum in Eindhoven’). De auteurs bedachten een truc: ze veronderstellen dat jonge bedrijven (opgericht tussen 2003 en 2010) die voor meer dan de helft in buitenlandse handen waren (in 2010) waarschijnlijk greenfield investments zijn geweest. Want ‘jonge bedrijven zijn meestal geen acquisitiedoelwit”. Die bewering wordt verder niet gestaafd maar is wel vrij fundamenteel.
2. De studie kijkt naar provincies, en in het buitenland vaak weer andere eenheden. Dat roept vragen op. Neem Noord Brabant: er is een aanzienlijk verschil tussen het Westen van Noord Brabant (veel logistiek en value added logistics, vanwege de positie tussen Rotterdam en Antwerpen), en Oost Brabant, met de high tech industruie rond Eindhoven. De auteurs maken soms vreemde vergelijkingen, bijvoorbeeld tussen de regio Inner Londen en onze provincies, waar dan ook nog conclusies aan worden verbonden: “Although in North Holland and South Holland the share of employees working in knowledge-intensive services was much higher than the European average, Inner London had a much stronger specialisation in this field”. Het zou pas raar zijn als dat niet zo was.
3. Om kennisintensieve investeringen te scheiden van niet-kennisintensieve investeringen is gekozen om een aantal NACE-sectoren als ‘kennisintensief’ te benoemen (dat doet Eurostat ook). De NACE-indelingen zijn m.i. echter fundamenteel ongeschikt om kennisintensieve activiteit te onderscheiden van ‘niet-kennisintensieve’ activiteit. Elke sector heeft kennisintensieve en minder kennisintensieve ondernemingen en functies. Het was wellicht beter geweest om bijvoorbeeld naar het opleidingsniveau van werknemers te kijken.
4. De studie is een momentopname: er zijn alleen data voor het jaar 2010 gebruikt. We krijgen daardoor helaas geen beeld welke regio’s het beter zijn gaan doen, en welke minder.
5. Er staan nogal veel weinig verrassende conclusies en constateringen in. Bijvoorbeeld: Regio’s met een technologieprofiel trekken vooral technologiebedrijven aan; regio’s die meer op diensten zijn gericht, trekken vooral investeringen in die sector aan.
7. De studie geeft geen nieuw inzicht in de effecten van buitenlandse investeringen op de regionale economie. Brengen bedrijven kennis mee, of tappen ze juist kennis af? Nemen ze expats in dienst, of vooral Nederlands personeel? Wat voor voorzieningen hebben ze nodig? En: in hoeverre verandert er eigenlijk iets nadat een buitenlands bedrijf de boel heeft overgenomen? (denk aan Organon in Oss…). Gaan ze meer of juist minder samenwerken met lokale kennisinstellingen? Wat is de rol van innovatiebeleid, of gaat het vooral om fiscale incentives? Helaas geen nieuwe inzichten.
De auteurs hebben zelf ook wel in de gaten dat hun studie weinig concrete aanwijzingen biedt voor beleidsmakers: veel specifiekere kennis is nodig over de motieven van investeerders. “Therefore, designing a policy aimed at attracting FDI to stimulate the (regional) economy requires a good understanding of the motives of different investors, because this largely determines the impact of their investments. And those differences in effects show that it is important for policymakers to be selective about which FDI one wants to attract.”. Waarom hebben ze dat dan niet onderzocht?
To sum up: De studie is gebaseerd op matige data over buitenlandse investeringen, een twijfelachtige keuze van sectoren (selectief winkelen in de NACE indeling die stamt uit het industriële tijdperk); Het onderzoek is gedaan voor onvergelijkbare regio’s die geen relevante economische eenheid vormen (provincies in Nederland, hele andere units in het buitenland). Er wordt zekerheid gezocht in zogenaamde ‘harde data’ en kwantitatieve analyse, maar het resultaat is dat we nog steeds niet goed snappen op basis waarvan welke investeerders kiezen voor bepaalde regio’s en waardoor ze zich laten leiden.
Wat dan wel?
Hoe kom je daar dan wel achter? Selecteer een x-aantal buitenlandse bedrijven in Europa (m.n. in de speerpuntsectoren waar Nederland in wil uitblinken); Houdt diepte interviews met eigenaars en managers, om zo beter te snappen waarom bedrijven zich ergens vestigen, hoe ze naar de regio kijken, welke wensen ze hebben, en welk beleid echt bijdraagt aan het aantrekken en binden van deze bedrijven.
Nb ik weet het, ook op deze methode is e.e.a. aan te merken: revealed vs stated preferences, rationaliseringen achteraf, bias.
De soms wonderbaarlijke ranglijst van het World Economic Forum
Leuk voor de Nederlandse regering, maar de vraag is hoeveel die positie echt zegt over onze ‘kenniseconomie’. Oliestaten staan erg hoog in de lijst, terwijl ze toch bepaald niet innovatief zijn. Neem bijvoorbeeld Saoedi-Arabie (17e plek, 4 plaatsen gestegen) of Quatar (14e plek, drie plaatsen gestegen). En er is juist een opvallend lage plek voor een innovatief land als Korea (24e). Of zouden ze Noord- en Zuid-Korea bij elkaar hebben genomen? Onze zwakke Eurobroeders uit Zuid Europa komen er trouwens niet best vanaf: Griekenland staat 90e, na landen als Algerije, Namibie, Albanie en Kazachstan. Ook Spanje (36e), en Italië (43e) doen het niet best, ze komen achter landen als Puerto Rico (35e), Brunei en Oman.
De index is samengesteld uit drie factoren (zie hieronder), die elk een weging krijgen. Die weging hangt af van het ontwikkelingsniveau waarin een land zich bevindt. Voor rijke landen telt innovatie relatief zwaar, voor arme landen juist de basisvoorwaarden als infrastructuur en instituties. Al met al wordt er een hele batterij aan indicatoren gebruikt, de ene zinvoller dan de ander, met als resultaat: een ranking over de 'kracht' van nationale economieën.
Kijken we alleen naar innovatie, dan staat Nederland op de 9e plek. Niet slecht maar nog lang geen top-5. Maar ook hier zien we vreemde dingen in de lijst: Saoedi-Arabie staat 24e, voor landen als Australie (26e) en Spanje (33e).
zondag 19 juni 2011
Sofware bedrijf Sofa verruilt Amsterdam voor Silicon Valley. Is dat erg?
woensdag 15 juni 2011
Bezuinigen op wetenschappelijk onderzoek? Studie toont aan dat betere wetenschap leidt tot meer ‘kassa’.

Gelezen in Research Policy
Universiteiten worden steeds ondernemender. De regering hamert op ‘valorisatie’ en vindt dat universiteiten hun kennis meer in 'kassa' moeten omzetten (erg fout woord, trouwens). Maxime Verhagen wil dat universiteiten meer met bedrijven gaan samenwerken, vooral binnen de ‘topsectoren’ (nog een fout woord) waar Nederland in uitblinkt. Universiteiten doen er van alles aan om ondernemender te worden. Ze openen incubators, stoppen veel geld in technologie transfer centra, en moedigen hun werknemers aan om externe gelden binnen te halen of een eigen bedrijf te starten. Dezelfde trend zien we in heel Europa.
Hoe ondernemend zijn de Europese universiteiten eigenlijk? Een onderzoeksteam van de Universiteit Leuven zocht het uit en publiceerde de resultaten in het nieuwste nummer van Research Policy. Uit het artikel blijkt dat het matig gesteld is met de ondernemende kwaliteiten van de Europese universiteiten. De onderzochte universiteiten halen gemiddeld 27 miljoen binnen aan contractonderzoek (komt neer op een vrij schamele € 14000 per wetenschappelijk medewerker); er ontstaan gemiddeld 2 a 3 nieuwe bedrijven per jaar, en er worden 4 a 5 patenten toegekend. Dat houdt dus niet over. De variantie is wel groot. Overigens doen Europese universiteiten niet of nauwelijks onder voor Amerikaanse (de toppers niet meegerekend).
Interessant is dat er een positief verband blijkt te zijn tussen onderzoeksproductiviteit en ondernemerschap. Met andere woorden: Universiteiten die veel wetenschappelijke artikelen produceren (per werknemer) scoren ook hoger op contract research, patenten, en spin-offs (in iets mindere mate). Industriële partners doen blijkbaar liever zaken met universitaire partners die in hoog wetenschappelijk aanzien staan.
Dit onderzoek laat zien dat goed onderzoek (‘kennis’) en ondernemerschap (‘kassa’) niet strijdig zijn maar elkaar juist kunnen versterken. Dit plaatst de forse bezuinigingen op wetenschappelijk onderzoek (met name de grote afname van het aantal AIOs door vermindering van de FES gelden) in een ander daglicht: Misschien is het toch niet zo verstandig om de onderzoeksproductiviteit –waar AIOs in hoge mate aan bijdragen- onder druk te zetten.
Helaas hebben de onderzoekers niet gekeken naar verschillen tussen landen. Daardoor weten we niet hoe Nederlandse universiteiten er voor staan t.o.v. andere landen. Via de auteurs ga ik trachten deze gegevens te achterhalen: wordt hopelijk vervolgd!
Bron: Entrepreneurial effectiveness of European universities: An empirical assessment of antecedents and trade-offs, door Bart Van Looy, Paolo Landoni, Julie Callaert, Bruno van Pottelsberghe, Eleftherios Sapsalis, en Koenraad Debackere, in Research Policy 40 (2011) 553–564
Journal homepage: www.elsevier.com/locate/respol
woensdag 23 maart 2011
Hoe ontwikkel je een economische strategie voor een regio? Amsterdam vs Helsinki
donderdag 24 februari 2011
Campus development
donderdag 17 februari 2011
Naar de top in biotech? Meedoen met de Vlamingen!
zondag 13 februari 2011
What role for manufacturing industries in the urban knowledge economy?
dinsdag 18 januari 2011
Kenniseconomie, quo vadis?
-De overheid geeft al weinig uit aan onderwijs en onderzoek, en gaat nog verder snijden:
a. een paar honderd miljoen op hoger onderwijs. Dat betekent minder docenten, vollere lokalen, minder individuele aandacht, en dus zeer waarschijnlijk een lagere kwaliteit.
b. de FES gelden vallen weg voor onderzoek (aardgasbaten die voor onderzoek werden aangewend, ongeveer 500 miljoen per jaar). Dat scheelt heel veel geld voor Nederlandse universiteiten, en zal zich vooral vertalen in aanzienlijk minder AIO's en postdocs (schattingen gaan uit van 3000 minder, op een totaal van 10,000 AIOs en postdocs), minder wetenschappelijke publikaties, en nog minder perspectief voor jonge mensen die een wetenschappelijke carriere willen.
-Bedrijven geven ook al heel weinig uit aan R&D; 0,9% van het BBP (Nederland zit in de Europese staart; het EU gemiddelde is 1,3%). Heeft ook te maken met de Nederlandse sectorstructuur die sterk op diensten is gericht, en daar wordt minder aan R&D uitgegeven. Maar het percentage daalt: In 1999 was het nog 1,1%.
....Maar hoe erg is het eigenlijk? Een paar relativeringen zijn op zn' plaats:
-Het percentage dat we aan R&D uitgeven is gedaald, maar het BBP in Nederlands is in de afgelopen 10 jaar veel sneller gegroeid dan het Europese gemiddelde. Als je daarvoor corrigeert ziet het plaatje re heel anders uit.
-Over R&D uitgaven: meer R&D leidt niet altijd tot meer groei. Zweden is het voorbeeld waarbij extreem hoge R&D uitgaven niet leiden tot meer groei. Bovendien wordt innovatie in de dienstensector nooit gemeten in de rankings (dat is ook heel moeilijk), terwijl Nederland het toch vooral van handel en diensten moet hebben. Misschien zijn we dus veel innovatiever dan uit deze cijfers blijkt.
-de Nederlandse economie is zeer flexibel en sterk, onze productiviteit behoort tot de hoogste in de wereld, de de groei is de afgelopen decennia hoger dan het EU gemiddelde. Welke schade richten de al jaren dalende uitgaven dan precies aan? Dat is nog nooit echt overtuigend uitgezocht. Ik schat in dat mijn punt a het meest fnuikend zal blijken.
De KIA-coalitie (een groot aantal partijen in NL die de kenniseconomie een warm hart toedragen) laat vandaag weten dat in 2020 de Nederlandse publieke uitgaven aan kennis en innovatie tussen de 4,5 en 6 miljard euro hoger moeten zijn, en de private investeringen tussen de 2,5 en 4,5 miljard euro. In een latere blog kom ik hierop terug.
vrijdag 8 oktober 2010
Veel Europees geld naar Polen: wat doen ze ermee?
woensdag 1 september 2010
Waarom komen de farma bedrijven niet naar Nederland?
zondag 1 augustus 2010
Sluiting MSD Oss: interpretaties
-De sluiting is een symptoom van het nietsontziende mondiale kapitalisme, dat niks geeft om mensen en tradities, niet aan landen of regio’s is gebonden, en op de korte termijn is gericht. Oss, bakermat van de SP, is het slachtoffer van een op winst beluste Amerikaanse multinational.
-De sluiting is een bedrijfseconomische beslissing van een multinational, die weliswaar te betreuren valt maar waar verder niet veel aan te doen is. Het is de manifestatie van de trend dat farmaceutische bedrijven naar een ‘open innovatiemodel’ toegaan, waarbij ze niet langer alle research zelf doen maar liever samenwerken met kleine, gespecialiseerde kennispartners. Misschien ook uit Oss…
-Het is een teken van het failliet van de Nederlandse kenniseconomie. Het was al niet veel, en nu blijft er helemaal weinig over. In Nederlands staat innovatie gelijk aan een langzaam voorbij trekkende stroom papier met woorden als ‘kennisvoucher’, ‘regievraagstuk’ en ‘koploperomgeving’. Zo bouw je geen kenniscluster en dat is maar weer eens bewezen.
-Kenniseconomie is niet iets voor plaatsen als Oss: geen universiteit, geen grootstedelijk milieu, geen vruchtbare face-to-face contacten, niet internationaal bereikbaar, kortom, geen geschikte innovatie-omgeving.
Ik voeg er nog een paar interpretaties aan toe:
-De case MSD illustreert de Hollandse ziekte: een sterke kennisbasis, maar geen business. Nederland behoort tot de top in wetenschappelijk onderzoek in life sciences: we zijn internationaal de nummer drie of vier. Maar dat vertaalt zich nauwelijks in business –de Nederlandse lifesciences sector is klein- , en na het vertrek van MSD ziet het er nog somberder uit.
-Life Sciences is geen motor van de Nederlandse economie: eerder een forse kostenpost. De case MSD toont de risico’s van specifiek innovatiebeleid gericht op een bepaalde sector. Biomedisch onderzoek kan in Nederland niet bestaan zonder een enorme bijdrage van de staat. Veel onderzoek van de universiteiten wordt door overheidsgeld gefinancierd (1e geldstroom of NWO), aangevuld met bijdragen van de farmaceutische industrie.Het top-instituut Pharma heeft een budget van 260 miljoen, waarvan maar een kwart door bedrijven wordt ingebracht, de rest door de overheid en de universiteiten (ook overheidsgeld). Voornaamste doel van het instituut is ‘valorisatie’: wetenschappelijke kennis omzetten in economische waarde. En daar komt nu nog minder van terecht.
-Aan technische/wetenschappelijke kennis wordt een hogere waarde toegekend dan andere soorten kennis en vaardigheden. Impliciet wordt verondersteld dat het erger is dat een bioloog of techneut zijn baan verliest dan een salesmanager of fiscalist. Waarom verdienen de laatste twee dan eigenlijk zoveel meer (zonder subsidies)? Omdat de markt hun kennis wel op waarde schat.
zaterdag 12 juni 2010
Tip voor Mark Rutte: ga eens langs bij Jeffrey Sachs voor een goed advies
Deze week fileert topeconoom Jeffrey Sachs in de Financial Times het economische beleid van de VS van de afgelopen paar jaar. Ik denk dat zijn analyse ook voor Europa en Nederland van toepassing is. Wat ging er allemaal mis?
Toen de crisis uitbrak, begonnen overheden bakken met geld uit te geven aan stimuleringspakketten (geleerd van Keynes) in de hoop de dreigende massawerkloosheid af te wenden: Sloopregelingen voor auto’s, naar voren halen van infrastructuurprojecten, belastingvoordelen voor het MKB etc.
Dit beleid was gebaseerd op een aantal dubieuze veronderstelligen namelijk 1) dat een korte-termijn impuls de economie een zetje in de goede richting zou geven, 2) dat een tijdelijke vergroting van het overheidstekort/staatsschuld geen probleem zou zijn en 3) dat je met versneld projecten uitvoeren zowel korte en lange termijn ambities zou kunnen combineren. Dit alles was zo aantrekkelijk dat politici de verleiding niet konden weerstaan om massaal de buidel te trekken.
Wat is er dan mis met dit verhaal? Sachs noemt de volgende misvattingen.
Ten eerste: het groeimodel dat we hadden –gebaseerd op lenen, consumeren en stijgende huizenprijzen- deugde niet, maar politici probeerden dit verkeerde vliegwiel weer aan te zwengelen door allerlei kotsbare stimuleringsmaatregelen. Maar er moest gewoon een keer een correctie komen.
Ten tweede: je kunt niet straffeloos het begrotingstekort laten oplopen (zoals Obama, Bos/Balkenende e.v.a. deden) als je de markten niet tegelijk overtuigt dat je het daarna weer omlaagbrengt: zie de Eurocrisis. Hier doet Nederland het trouwens beter dan de VS, waar belastingverhogen echt taboe is en overheidsuitgaven (en dienstverlening) al zo laag zijn dat er weinig meer te bezuinigen valt –behalve dan misschien op defensie. Ergo: hoe gaan de Amerikanen ooit hun tekort wegwerken?
En nu gaat het weer mis: veel Europese overheden kondigen draconische bezuinigingen aan (Duitsland: 80- miljard; Nederland minstens 20) om het tekort snel terug te brengen. Net zo simplistisch als de stimuleringspakketten van een jaar terug, vindt Sachs. Zijn alternatief: begin nu wel met bezuinigen, maar niet extreem. Werk met een tijdschema van 5 jaar om de overheidsfinanciën omlaag te brengen. Neem nog langer (10 jaar) de tijd om echt structurele hervormingen door te voeren in arbeidsmarkt, onderwijs en zorg. Dat gaat nu eenmaal niet in een paar jaar. Overheden moeten het publiek uitleggen dat echte economische groei wordt gecreëerd door beter onderwijs, nieuwe technologie, duurzaam produceren, en slimmer werken, en dat vraagt jarenlang volgehouden goed beleid, geen korte termijn fiscale stimuli. Tenslotte pleit Sachs voor meer herverdeling. In de VS zijn de superrijken –die de campagnes financieren- de afgelopen decennia alleen maar rijker geworden en volkomen vervreemd geraakt van de maatschappij. In Nederland geldt dit laatste ook, hoewel de inkomensverdeling er bij ons wel heel anders uitziet.
Misschien moet Mark Rutte maar eens bij Jeffrey Sachs op de koffie gaan in plaats van bij de koningin of Geert Wilders.
zondag 23 mei 2010
Read: Design driven innovation, on radical innovations
Design-driven innovation
Roberto Verganti is a well-known student of innovation management. His new book, ‘design driven innovation’, analyses the success of companies that introduce radical innovations in the market. Not technological innovations, but innovations of meanings. An example is the introduction of the Wii by Nintendo. Gaming with the Wii is a far cry from conventional gaming with a console: it is about social interaction and physical activity in the living room. It has completely changed the meaning of games, and in a few years, Wii conquered the market. In this book, Verganti mentions a lot of other examples of firms that produced this sort of radical innovations of meaning (mostly from the Italian furniture and home appliances industry).
Creating radically different meanings –making new sense of things- is potentially very profitable –see Apple and Nintendo- but how to do it? One thing NOT to do is to set up focus groups and involve users/consumers in innovation. This works for incremental innovations but not for radical ones. Rather, firms need to make new ‘propositions’ to the public. Of course this is risky: how do you know if the public will like it, and buy it? One of Verganti points is that firms need to immerse themselves in the design discourse. Rather than hiring an established top designer, firms need to actively link up with circles of artists, designers, architects and other people who are some kind of modern prophets (he calls them ‘interpreters’): they interpret the world, their imaginary power may help you to propose new meanings. Alessi, the famous Italian innovator of household appliances, does this very actively, and its CEO plays a key role personally. It’s not only about interpreting; firms need the ability to select the right interpreters and create their own vision. Linking up with these interpretors –artists, designers, architects etc.- can also help to seduce the public and prepare them to accept new propositions. These people influence global trends, and create new images that appeal to people. Harnessing their ‘seductive’ power is key.
Verganti’s book is interesting and inspiring. It has also some implications for regions and cities. One is that cities or regions with a rich cultural life and an active ‘design discourse’ are more inspiring environments for radical innovators. Verganti mentions Milan, Copenhagen, Helsinki and San Francisco explicitly but the list is longer of course. Think about the implications for regional innovation policy.
Check this site for more: http://www.designdriveninnovation.com/
woensdag 21 april 2010
De toekomst van het hoger onderwijs in Nederland
1. De commissie houdt vast aan de waarde van het onderscheid tussen WO en HBO, en pleit ervoor dat universiteiten zich weer meer moeten gaan richten op onderzoek en academische vorming (weg met de massastudies waar nauwelijks een link met onderzoek is), en HBO instellingen op beroepsonderwijs. Het klinkt goed. Maar feitelijk komen nu verreweg de meeste universitaire studenten gewoon na hun studie in een beroep terecht, en niet in het onderzoek. Moeten al die studenten in de toekomst bij het HBO aankloppen? Dat zullen ze m.i. alleen willen als de status van HBO onderwijs beter wordt, en dat lukt alleen als de moeilijkheidsgraad flink omhoog gaat, studenten meer uitgedaagd worden, en het niveau van de docenten omhoog gaat. Ik acht de meeste HBO-instellingen daartoe voorlopig niet in staat, alleen al omdat momenteel minder dan de helft van de HBO docenten een Mastertitel heeft. Voor de meeste VWO-ers is het HBO als lang geen optie meer (de VWO instroom in het HBO is gedaald van 20% in 1996 naar 10% nu) en dat zal niet snel veranderen. Het zou ook helpen wanneer er meer mobiliteit is tussen HBO onderwijs en bedrijfsleven, bijvoorbeeld via docentstages. Teveel HBO docenten weten niet (meer) hoe de praktijk in elkaar zit en studenten hebben dat snel in de gaten. Hierover zegt de commissie niets.
2. Het belonen van prestaties van de instellingen moet anders. Nu krijgen instellingen geld naar rato van het aantal studenten; dat leidt tot imitatiegedrag om maar zoveel mogelijk studenten aan te trekken (want daar is de financiering op gebaseerd), of de keuze voor ‘trendy’onderzoeksthema’s waar veel subsidie te halen is. De commissie vindt terecht dat hogescholen en universiteiten zich beter moeten profileren, en stelt dat de bekostiging meer moet plaatsvinden op basis van dat profiel i.p.v. op aantallen studenten. Maar nergens geeft men aan hoe dat zou moeten: het rapport “roept partijen op om hierover na te denken”. Het lijkt me dat de commissie op zn’ minst toch een aantal opties had kunnen bedenken, want het is een wezenlijk punt dat raakt aan de kern van het advies. Ik geloof niet in profilering via prikkels aan de aanbodzijde, dat ontaardt in bureaucratie en strategisch gedrag.
3. Professionele HBO-masters moeten volgens de commissie door de overheid bekostigd gaan worden (gebeurt nu nog niet, alleen tijdelijk), maar dan alleen als de arbeidsmarktrelevantie aantoonbaar groot is. Mijn ervaring is dat dit soort Masters veel meer ‘rendement’ opleveren –en voldoening voor de docent!- als een student een paar jaar werkervaring heeft, en de commissie constateert dat ook. Waarom niet alleen dit soort Masters bekostigen waarbij werkervaring een toelatingscriterium is? En ook een flink hogere bijdrage vragen van de student of zijn werkgever, want die profiteren er direct van.
4. De commissie constateert maar weer eens dat we in Nederland achterlopen op het gebied van life-long-learning (LLL) in het hoger onderwijs; tegelijk hebben we wel een groot aantal private aanbieders op de markt van onderwijs voor professionals (bedrijven geven bakken met geld uit aan scholing van hun meestal hoogopgeleide werknemers). De commissie noemt dit ‘onevenwichtig’, maar waarom eigenlijk? Waarom zouden marktpartijen het minder goed doen? Zij zijn bij uitstek vraag georiënteerd en veel flexibeler dan de vaak rigide HBO-opleidingen. De traditionele kennisinstellingen hebben allang geen monopolie meer op kennisontwikkeling en –overdracht; het is een vitale bedrijfstak geworden.
De commissie adviseert om LLL te stimuleren door over te gaan tot onderwijsrechten: iedereen krijgt recht op een aantal jaren onderwijs en mag zelf bepalen wanneer hij of zij er gebruik van maakt. Je kunt je afvragen waarom het een overheidstaak is om volwassenen (met werk) te subsidiëren die in hun eigen toekomst –of hobby, bijvoorbeeld kunstgeschiedenis- willen investeren. Ik mis, meer in het algemeen, een fundamentele analyse over de rol van de overheid in de onderwijsmarkt. De commissie is behoedzaam om dit politiek gevoelige punt heen gevaren, en dat is jammer.
Lees hier het hele rapport:
http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ocw/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/04/13/brief-aan-de-tweede-kamer-over-rapport-commissie-toekomstbestendig-ho-stelsel.html
dinsdag 23 maart 2010
OESO: Amsterdam niet klaar voor de kenniseconomie
De OESO heeft een analyse gemaakt van de rol van het hoger onderwijs (HBO en WO) in de regio Amsterdam. De studie maakt deel uit van een reeks vergelijkbare studies in steden en regio’s over de hele wereld.
Er worden harde noten gekraakt, waar het nieuwe college van Amsterdam haar voordeel mee kan doen. De belangrijkste conclusies: Amsterdam lijdt aan de zgn ‘Dutch paradox’: er wordt voortreffelijk onderzoek gedaan, maar het leidt niet of nauwelijks tot nieuwe producten , diensten of technologieën waarmee geld verdiend kan worden. Er is geen breed gedeelde visie op de rol van het hoger onderwijs in het regionale innovatie systeem, en er is geen lange-termijn strategie. En daardoor laat de regio kansen liggen. En die zijn er zeker, want Amsterdam beschikt over een hoogwaardige kennisinfrastructuur en een sterke economische basis.
De universiteiten staan met hun rug naar de stad
Universiteiten zijn bezig met de creatie van ‘focus en massa’ door bestaande onderzoeksgroepen die goed scoren verder te versterken, zonder te kijken naar de (kennis)vraag op de markt of mogelijkheden tot synergie met het regionale bedrijfsleven. De OESO-onderzoekers adviseren terecht om een betere afstemming te zoeken tussen de economische kracht van Amsterdam –die ligt vooral in de creatieve industrie en de zakelijke dienstverlening- en de speerpunten van de universiteiten en hogescholen. De universiteiten doen wel hun best om kennis te commercialiseren: ze hebben bureaus voor kennistransfer opgezet, en creëren steeds meer mogelijkheden voor spin-off bedrijven. Maar het is nog te weinig, te kleinschalig en onvoldoende professioneel. De HBO’s komen er iets beter vanaf: ze zijn sterker verbonden met de regio. De instelling van lectoraten wordt toegejuicht, maar het is nog te vroeg om conclusies te trekken. De commissie waarschuwt wel alvast dat HBOs, ook in hun onderzoek, zich vooral moeten richten op praktijkgericht onderzoek en de verleiding tot ‘academic drift’ moeten weerstaan.
Het rapport ontbeert m.i. wel een diepgaande analyse over de veranderende rol van kennisinstellingen. In de huidige kenniseconomie spelen kennisinstellingen een cruciale rol, maar tegelijk zijn ze het monoplie op kennisontwikkeling kwijt (voor zover ze dat ooit hadden). Het bedrijfsleven is een belangrijke kennisleverancier geworden (want alleen met voortdurende innovatie valt nog geld te verdienen). Dat betekent dat het lineaire model van kennisoverdracht (éénrichtingsverkeer van kennis, van universiteit naar bedrijfsleven) niet meer werkt. En ook voor de onderwijsmarkt heeft de kenniseconomie grote gevolgen: Er is de afgelopen decennia een enorme private scholings- en trainingsindustrie ontstaan, die inspeelt op de behoefte van het bedrijfsleven en (semi)publieke sector om kennis te delen en mensen voortdurend bij te scholen. Wat betekent dat voor hogescholen en universiteiten?
Internationalisering?
Ook op het gebied van internationalisering is de OESO-commissie weinig lovend over de hoofdstedelijke kennisinstellingen. Letterlijk spreekt de commissie van ‘a relative failure of higher education institutes to amplify their internationalisation strategy’ (p. 13). Ten eerste komen er relatief weinig buitenlandse studenten naar Amsterdam. Amsterdam, dat zich graag afficheert als internationale stad, staat blijkbaar niet prominent op de kaart als plek om te komen studeren. En buitenlandse studenten zijn belangrijk voor een stad: ze brengen nieuwe impulsen en netwerken mee, en het zijn potentiële hoogopgeleide immigranten. Er is geen gecoördineerd beleid om Amsterdam meer op de kaart te zetten als internationale studentenstad. Dat is een gemiste kans, zeker gezien de hoeveelheid Engelstalige programma’s en aantrekkelijkheid van Amsterdam als stad. De UvA en de VU zijn nogal geschrokken en hebben direct 2,5 miljoen euro vrijgemaakt om beurzen (a raison de 20,000 Euro per student) te kunnen geven aan talentvolle Chinezen en Indiërs. Maar dat is wat al te gemakkelijk. De echte uitdaging is natuurlijk om zo goed te zijn dat buitenlandse studenten diep in de buidel willen tasten (of fondsen bij elkaar harken) om in Amsterdam te komen studeren!
Het Amsterdamse ad-hoc model voldoet niet meer. Om echt een topstad te worden is leiderschap nodig, en nieuwe sterke instituties die lijnen uitzetten, partijen duurzaam aan elkaar binden, en zorg dragen voor concrete acties. Eindhoven kan als lichtend voorbeeld dienen: daar hebben ze de Brainport Development opgericht, een ontwikkelingsmaatschappij nieuwe stijl, die zich richt iop het versterken van de kenniseconomie van de regio in brede zin: Het faciliteren van clusters, afstemmen van onderzoek en bedrijfsleven, maar ook city marketing, ontwikkeling van specifieke bedrijfsterreinen voor de kennisindustrie, en kennistransfer richting het MKB. De organisatie is sterk bemand, en wordt gedragen door alle kennispartners in de regio.
Een tip voor het nieuwe college: ga eens in Eindhoven kijken!

