Posts tonen met het label kenniseconomie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kenniseconomie. Alle posts tonen

vrijdag 20 januari 2012

Cluster management (1): lessen uit de Winterschool

Hoe kun je clusters managen? Hoe weet je welke clusters kansrijk zijn voor de stad? Wanneer weet je of clusterbeleid succesvol is, en hoe kun je dat meten?

Deze en andere vragen stonden centraal in de Winterschool over clustermanagement, georganiseerd door de  Hogeschool van Amsterdam (Urban Lab en CAREM), in samenwerking met de Amsterdam Innovatie Motor (AIM). 

Erg relevant voor Amsterdam, want: de Amsterdam Economic Board heeft zeven clusters benoemd tot speerpunt, en daar wordt nu volop aan gewerkt in de triple helix (overheid, Onderzoek&onderwijs en bedrijfsleven). 

We hadden drie  topsprekers uitgenodigd om ons te verlichten. Het publiek bestond grotendeels uit clustermanagers -praktijkmensen- , maar ook docenten en onderzoekers van de hogeschool en uit de academische wereld. Wat kregen we mee? In deze blog de eerste spreker.

Jerker Moodysson doet veel onderzoek naar regionale innovatie. Hij is professor aan de Universiteit van Lund, Zweden. Hij wees in zijn verhaal op de grote verschillen tussen clusters m.b.t. manier waarop bedrijven innoveren,  hoe kennis gedeeld wordt, en hoe de innovatienetwerken er uitzien. Er zijn verschillende typen “knowledge base”. Bij academisch georiënteerde clusters (zoals life sciences) is het speelveld vooral internationaal, en dat zie je terug in de innovatienetwerken. Lokale contacten zijn belangrijk maar niet dominant. De kennis is academisch, er is een heel specifieke en vastgelegde manier van kennisontwikkeling en deling, en die is in hele wereld gelijk –culturele verschillen zijn dus minder relevant-. Bij creatieve clusters (zoals fashion, architectuur, media) is het heel anders. Daar zijn de relevante innovatienetwerken veel vaker lokaal; kennisdeling speelt zich af in een specifieke culturele context waar betekenis wordt gegeven en gedeeld.  De relevante kennis die wordt gedeeld is  symbolisch, en sterk context begonden. Een derde type clusters zit tussen de 2 uitersten. Hier gaat het vooral om engineering, kennius over het maken van producten. Moodysson noemt het “synthetic knowledge”, vaak technische kennis die heel praktisch wordt toegepast. Innovatie betekent hier het realiseren van graduele verbeteringen aan bestaande producten; er zijn geen vaste patronen. Face-to-face contacten en concrete samenwerking aan projecten zijn essentieel bij het overdragen van deze kennis. Het aardige was dat Moodyson de geografie van de innovatie netwerken (van verschillende clusters) empirisch onderzocht had.  
De boodschap: in clusterbeleid moeten die verschillen tot hun recht komen; beleidmakers moeten begrijpen hoe het innovatieproces werkt in ieder cluster, en hoe de geografie in elkaar zit, voordat ze overhaaste verkeerde dingen gaan doen (en veel te vaak ontbreekt die kennis…)

Een aantal conclusies van Moodysson’s verhaal en de discussie erover:

-Meten is weten, en we evalueren te weinig wat eigenlijk het effect is van clusterbeleid. Het is verstandig –maar wel complex en duur- om de netwerken van de geselecteerde clusters in kaart te brengen en door de tijd te volgen (Moodyson gaat hier onderzoek naar doen). Ook is het zinvol om te meten of bedrijven die meedoen met clusteractiviteiten een betere performance hebben dan zij die niet meedoen. Ik daar zelf een heel goed voorbeeld van gezien in Ierland. 

-Clusterorganisaties moeten zich blijven realiseren waartoe zij op aarde zijn. Er is altijd een risico dat een organisatie zich vooral met zichzelf en zijn eigen voortbestaan gaat bezighouden, of alles naar zich toetrekt of andere nieuwe initiatieven frustreert. Veel clusterorganisaties ontwikkelen zich tot effectieve subsidieaanvragers, maar dat is niet per definitie het best voor de lokale economie.

-Blijf alert, zorg ervoor dat nieuwe, opkomende clusters niet onder de radar blijven. Geef ze ook kansen en toegang tot ondersteuning.

-De meeste regio’s stimuleren precies dezelfde clusters. The usual suspects zijn: biotech, duurzaamheid, creative industries, ICT, new materials. Niet erg, maar probeer van elkaar te leren! Een hele goede manier is peer review: diepgaande uitwisseling tussen steden/regio’s die vergelijkbaar beleid voeren, elkaar kritisch bevragen.

Een volgende blog gaat over de tweede bijdrage, van prof. Crevoisier, Universiteit van Neuchatel. Zijn adagium: de meeste kennis is er al, het gaat er vooral om wat je er als regio mee doet. De herboren Zwitserse horloge-industrie komt langs: hoe creëer je waarde door goede –maar niet per definitie ware- “authentieke” verhalen vertellen over een product dat technisch weinig voorstelt.

donderdag 15 september 2011

Vergaderend naar de top in de kenniseconomie

De topsectoren
Het bedrijvenbeleid krijgt vorm. Het kabinet gaat onderzoek fiscaal (nog) aantrekkelijker maken, buitenlandse kenniswerkers komen gemakkelijker binnen, innovatief ondernemerschap wordt gestimuleerd. En het kabinet maakt werk van de negen geselecteerde topsectoren. Binnen die sectoren moet meer in kennis geïnvesteerd worden, vooral door bedrijven (private R&D investeringen blijven achter). Ook moeten onderzoeksagenda’s en onderwijsprogramma’s beter aansluiten bij de wensen van de topsectoren. Geld voor onderzoek (NWO, TNO, maar ook universiteiten) zal langzaam maar zeker steeds meer naar deze sectoren verschuiven.

Een sectorale aanpak heeft een aantal bekende nadelen.. Je weet nooit of de winnende sectoren van vandaag ook morgen nog de beste keuze zijn. Nieuwkomers staan op achterstand, terwijl het doel juist is om innovatie te stimuleren. En ander probleem is de sterke verwevenheid tussen sectoren: denk aan de vele raakvlakken tussen de topsectoren chemie, energie, en Hightech systemen en materialen. Juist op de snijvlakken ontstaat vernieuwing. Hoe zinvol is zo’n sectorale indeling dan voor innovatiebeleid? Maar dit terzijde.

Wie niet in een stuurgroep zit telt niet mee.
De Nederlandse kenniseconomie is al jaren een vergader en lobbycarrousel, en met de nieuwe plannen wordt het er niet beter op. Binnen elk van de 9 topsectoren moeten ‘innovatiecontracten’ worden afgesloten, door partners uit de gouden driehoek (bedrijfsleven, overheid en kennisinstellingen), waaraan ‘partijen uit de hele kennisketen inhoudelijk en financieel committeren’. De huidige technologische top instituten (TTIs) moeten plaats gaan maken voor ‘Topconsortia voor Kennis en Innovatie’ (TKI’s) waarin, voortbouwend op succesvolle initiatieven, ‘meerdere partijen vraaggestuurd samenwerken aan onderzoek en valorisatie op innovatiethema’s over de gehele keten’. Dat wordt vergaderen en nog eens vergaderen, met stuurgroepen, regiegroepen, verbindingscoördinatoren, regionale overheden, brancheorganisaties, MKB clubs en noem maar op. Er gaat heel veel tijd zitten in het verdedigen van bestaande belangen, en het zoveel mogelijk onderbrengen van lopende projecten in de nieuwe structuren. Grote bedrijven en instellingen domineren het speelveld, wat de kleintjes hebben geen tijd voor dit soort werk, of ze weten de weg niet. Gelukkig is die tijd wel aftrekbaar: het kabinet ontwikkelt een fiscale maatregel waarmee bedrijven hun bijdragen aan Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) in mindering kunnen brengen op de winstbelasting (RDA+, aftrek indicatief 25%). Maar of het innovatie gaat opleveren? Het begrip innovatiecontract is natuurlijk al een contradictio in terminis.

De regio's doen het ookIntussen gebeurt er in de regio’s ook van alles. De Noordvleugel van de Randstad stimuleert ook topsectoren (bijna dezelfde als nationaal), in de Economic Development Board Amsterdam; ook hier wordt flink vergaderd en gelobbyd in zgn. “clustertafels” (er is 50 miljoen beschikbaar!), en ook hier moet de triple helix vorm krijgen. Min of meer hetzelfde gebeurt in de Zuidveugel, Twente, de Brainport (Eindhoven en omgeving), en vele andere regio’s. Afstemming tussen regio’s laat te wensen over, waardoor vaak weer niet de kritische massa wordt behaald die nodig is (zie mijn eerdere blog over life sciences, en hoe de Vlamingen dat wel goed aanpakken).

Een kenniseconomie uitbouwen is moeilijk, we moeten het nog leren. Maar ik verwacht dat de echte vernieuwing de komende jaren komt van mensen en bedrijven die niet meevergaderd hebben. En dat het toerisme de grootste groeisector van Nederland zal zijn.

vrijdag 9 september 2011

Buitenlandse investeringen in Nederlandse regio’s in Europees perspectief

Het Planbureau voor de Leefomgeving presenteerde gisteren een rapport over buitenlandse investeringen in Nederlandse regio’s, in Europees perspectief (en dan vooral kennisintensieve investeringen). Interessant, want meestal worden alleen landen vergeleken. Veel steden en regio’s proberen buitenlandse kennisbedrijven te lokken. Ze creëren banen, en brengen wellicht nieuwe kennis mee, die doorsijpelt naar andere bedrijven. Er zijn soms ook problemen: denk aan Organon: overgenomen door een buitenlands bedrijf, en een paar jaar later opgedoekt. Hedgefunds die gezonde bedrijven kaalplukken.

Het PBL onderzocht hoeveel buitenlandse (kennisintensieve) bedrijven in Nederlandse regio’s zijn gevestigd, vergeleken met andere regio’s, en welke regionale kenmerken van invloed zouden kunnen zijn. Nederlandse regio’s worden vergeleken met topregio’s in Europa.

Grote verschillen
De studie laat zien dat regionale verschillen aanzienlijk zijn: de bulk van buitenlandse kennisbedrijven vestigt zich in een beperkt aantal stedelijke regio’s in Europa, vooral regio’s die goed bereikbaar zijn, een hoog opgeleide (en internationaal georiënteerde) beroepsbevolking hebben. Maar wat bepaalt nu precies het ‘succes’ van die regio’s? De PBL studie gaat op zoek naar deze factoren, en onderzoekt ook hoe de Nederlandse topregio’s scoren t.o.v. de Europese topregio’s. Het blijkt dat bereikbaarheid en toegang tot markten de belangrijkste verklaringen zijn voor buitenlandse investeringen in kennisintensieve bedrijven. De kennisbasis is iets minder van belang (wel belangrijk voor high-tech industrie en –diensten).

Onze toppers
Wat zijn dan de Nederlandse topregio’s in het rapport? Hou je vast, het zijn: Noord Holland (34% van alle investeringen in NL), Zuid-Holland (22%) en Noord-Brabant (15%). Vraag: Waarom naar provincies gekeken, en niet naar stedelijke agglomeraties? Antwoord: daar waren geen data van.

Nieuwe inzichten?
De studie biedt een heel goed literatuuroverzicht over buitenlandse investeringen in regio’s. En veel aardige cijfers, bijvoorbeeld over de herkomstregio’s van buitenlandse investeringen in de verschillende Nederlandse regio’s, en analyses van factoren die het verschil verklaren. Maar helaas levert het lijvige empirische werk weinig nieuwe inzichten op. Waarom niet?

1. De definitiekeuze van buitenlandse investeringen roept vraagtekens op. De auteurs hebben alleen data over de eigendomstructuur van bedrijven. Dat maakt het heel lastig om onderscheid te maken tussen greenfield investeringen en meerderheidsdeelnames. Terwijl de impact van een buitenlandse overname (‘Bank of Scotland neemt een 50% belang ABN/AMRO’) heel anders is dan die van een greenfieldinvestering (‘HP opent researchcentrum in Eindhoven’). De auteurs bedachten een truc: ze veronderstellen dat jonge bedrijven (opgericht tussen 2003 en 2010) die voor meer dan de helft in buitenlandse handen waren (in 2010) waarschijnlijk greenfield investments zijn geweest. Want ‘jonge bedrijven zijn meestal geen acquisitiedoelwit”. Die bewering wordt verder niet gestaafd maar is wel vrij fundamenteel.

2. De studie kijkt naar provincies, en in het buitenland vaak weer andere eenheden. Dat roept vragen op. Neem Noord Brabant: er is een aanzienlijk verschil tussen het Westen van Noord Brabant (veel logistiek en value added logistics, vanwege de positie tussen Rotterdam en Antwerpen), en Oost Brabant, met de high tech industruie rond Eindhoven. De auteurs maken soms vreemde vergelijkingen, bijvoorbeeld tussen de regio Inner Londen en onze provincies, waar dan ook nog conclusies aan worden verbonden: “Although in North Holland and South Holland the share of employees working in knowledge-intensive services was much higher than the European average, Inner London had a much stronger specialisation in this field”. Het zou pas raar zijn als dat niet zo was.

3. Om kennisintensieve investeringen te scheiden van niet-kennisintensieve investeringen is gekozen om een aantal NACE-sectoren als ‘kennisintensief’ te benoemen (dat doet Eurostat ook). De NACE-indelingen zijn m.i. echter fundamenteel ongeschikt om kennisintensieve activiteit te onderscheiden van ‘niet-kennisintensieve’ activiteit. Elke sector heeft kennisintensieve en minder kennisintensieve ondernemingen en functies. Het was wellicht beter geweest om bijvoorbeeld naar het opleidingsniveau van werknemers te kijken.

4. De studie is een momentopname: er zijn alleen data voor het jaar 2010 gebruikt. We krijgen daardoor helaas geen beeld welke regio’s het beter zijn gaan doen, en welke minder.

5. Er staan nogal veel weinig verrassende conclusies en constateringen in. Bijvoorbeeld: Regio’s met een technologieprofiel trekken vooral technologiebedrijven aan; regio’s die meer op diensten zijn gericht, trekken vooral investeringen in die sector aan. 

6. Ik mis een analyse over hedgefunds, speculanten, agressieve buitenlandse investeerders die op snel gewin uitzijn, ofwel de loskoppeling tussen de financiële economie en de reële economie.

7. De studie geeft geen nieuw inzicht in de effecten van buitenlandse investeringen op de regionale economie. Brengen bedrijven kennis mee, of tappen ze juist kennis af? Nemen ze expats in dienst, of vooral Nederlands personeel? Wat voor voorzieningen hebben ze nodig? En: in hoeverre verandert er eigenlijk iets nadat een buitenlands bedrijf de boel heeft overgenomen? (denk aan Organon in Oss…). Gaan ze meer of juist minder samenwerken met lokale kennisinstellingen? Wat is de rol van innovatiebeleid, of gaat het vooral om fiscale incentives? Helaas geen nieuwe inzichten.

De auteurs hebben zelf ook wel in de gaten dat hun studie weinig concrete aanwijzingen biedt voor beleidsmakers: veel specifiekere kennis is nodig over de motieven van investeerders. “Therefore, designing a policy aimed at attracting FDI to stimulate the (regional) economy requires a good understanding of the motives of different investors, because this largely determines the impact of their investments. And those differences in effects show that it is important for policymakers to be selective about which FDI one wants to attract.”. Waarom hebben ze dat dan niet onderzocht?

Dus..
To sum up: De studie is gebaseerd op matige data over buitenlandse investeringen, een twijfelachtige keuze van sectoren (selectief winkelen in de NACE indeling die stamt uit het industriële tijdperk); Het onderzoek is gedaan voor onvergelijkbare regio’s die geen relevante economische eenheid vormen (provincies in Nederland, hele andere units in het buitenland). Er wordt zekerheid gezocht in zogenaamde ‘harde data’ en kwantitatieve analyse, maar het resultaat is dat we nog steeds niet goed snappen op basis waarvan welke investeerders kiezen voor bepaalde regio’s en waardoor ze zich laten leiden.

Wat dan wel?
Hoe kom je daar dan wel achter? Selecteer een x-aantal buitenlandse bedrijven in Europa (m.n. in de speerpuntsectoren waar Nederland in wil uitblinken); Houdt diepte interviews met eigenaars en managers, om zo beter te snappen waarom bedrijven zich ergens vestigen, hoe ze naar de regio kijken, welke wensen ze hebben, en welk beleid echt bijdraagt aan het aantrekken en binden van deze bedrijven.


Nb ik weet het, ook op deze methode is e.e.a. aan te merken: revealed vs stated preferences, rationaliseringen achteraf, bias.































De soms wonderbaarlijke ranglijst van het World Economic Forum

Eindelijk weer eens goed nieuws over de Nederlandse kenniseconomie: Op de mondiale concurrentielijst van het World Economic Forum (WEF) is Nederland gestegen van de achtste naar de zevende positie. Prof.dr. Henk Volberda, wetenschappelijk directeur van INSCOPE: 'De indicatoren laten duidelijk zien dat Nederland langzamerhand aan het verschuiven is naar een hoogwaardige kenniseconomie.' Het sterke concurrentievermogen van onze economie is volgens Volberda een afspiegeling van onze reële economie en geeft veel vertrouwen in toekomstige groei.

Leuk voor de Nederlandse regering, maar de vraag is hoeveel die positie echt zegt over onze ‘kenniseconomie’. Oliestaten staan erg hoog in de lijst, terwijl ze toch bepaald niet innovatief zijn. Neem bijvoorbeeld Saoedi-Arabie (17e plek, 4 plaatsen gestegen) of Quatar (14e plek, drie plaatsen gestegen). En er is juist een opvallend lage plek voor een innovatief land als Korea (24e). Of zouden ze Noord- en Zuid-Korea bij elkaar hebben genomen? Onze zwakke Eurobroeders uit Zuid Europa komen er trouwens niet best vanaf: Griekenland staat 90e, na landen als Algerije, Namibie, Albanie en Kazachstan. Ook Spanje (36e), en Italië (43e) doen het niet best, ze komen achter landen als Puerto Rico (35e), Brunei en Oman.

De index is samengesteld uit drie factoren (zie hieronder), die elk een weging krijgen. Die weging hangt af van het ontwikkelingsniveau waarin een land zich bevindt. Voor rijke landen telt innovatie relatief zwaar, voor arme landen juist de basisvoorwaarden als infrastructuur en instituties. Al met al wordt er een hele batterij aan indicatoren gebruikt, de ene zinvoller dan de ander, met als resultaat: een ranking over de 'kracht' van nationale economieën.

Kijken we alleen naar innovatie, dan staat Nederland op de 9e plek. Niet slecht maar nog lang geen top-5. Maar ook hier zien we vreemde dingen in de lijst: Saoedi-Arabie staat 24e, voor landen als Australie (26e) en Spanje (33e).

Indicatoren

zondag 19 juni 2011

Sofware bedrijf Sofa verruilt Amsterdam voor Silicon Valley. Is dat erg?


Gelezen in NRC Handelsblad 18/19 juni 2011

In NRC dit weekend een verhaal over Sofa, een Amsterdamse software start-up die Amsterdam West verruilt voor Silicon Valley. Zes jaar geleden begonnen een stel ambitieuze jongens software te ontwikkelen. De kracht van het bedrijf: creativiteit en een artistieke touch, gekoppeld aan technische skills. Facebook ziet die combinatie blijkbaar wel zitten, en zet de mensen van Sofa in om Facebook mooier en beter te maken. Sofa zit nu nog in een bedrijfspand in Amsterdam West, ‘tussen een islamitische slager en een luidruchtige huisbaas’. Het bedrijf wordt niet overgenomen: de werknemers en oprichters gaan in loondienst werken bij Facebook, waar ze gaan werken aan nieuwe designs. Ze verhuizen allemaal naar Silicon Valley.

Als je het negatief bekijkt zou je kunnen zeggen: Amsterdam verliest een prachtig bedrijf, en een stel ondernemende kenniswerkers. We leggen het af tegen de Valley. Softwarebedrijven in Nederland halen nooit het level van Facebook, Google en Apple, maar blijven klein of worden in de kiem opgekocht. Het moet blijkbaar zo zijn.

Aan de andere kant: Het verhaal laat maar weer eens zien hoe sterk de creatieve software industrie in Amsterdam eigenlijk is. Bedrijven als TomTom en Layar zijn wereldmerken, en de stad huisvest vele kleinere maar hoogwaardige spelers in gaming en software. Amsterdam biedt een perfect ecosysteem voor de gouden combinatie van talent, technologie, ondernemerschap, creativiteit en design, en elke keer ontstaan weer nieuwe pareltjes.  Geen probleem als er af en toe een bedrijf vertrekt. Sterker nog: een verhuizing als deze versterkt de internationale reputatie van de stad en leidt tot vele nieuwe interessante netwerken.

Het kan altijd beter natuurlijk. Een van de oprichters, Koen Bok, zet zich in voor Appsterdam, een initiatief om de Amsterdamse software industrie een internationale allure te geven. Hij pleit ook voor het ondersteunen van jonge start-ups (‘wat vroege angel investors hadden geen kwaad gekund’).

Hoe dan ook: voor de jongens (en meisjes?) van Sofa begint een ‘American Dream’, en laten we hopen dat het ze goed gaat.

woensdag 15 juni 2011

Bezuinigen op wetenschappelijk onderzoek? Studie toont aan dat betere wetenschap leidt tot meer ‘kassa’.

s.gif


Gelezen in Research Policy

Universiteiten worden steeds ondernemender. De regering hamert op ‘valorisatie’  en vindt dat universiteiten hun kennis meer in 'kassa' moeten omzetten (erg fout woord, trouwens). Maxime Verhagen wil dat universiteiten meer met bedrijven gaan samenwerken, vooral binnen de ‘topsectoren’ (nog een fout woord) waar Nederland in uitblinkt. Universiteiten doen er van alles aan om ondernemender te worden. Ze openen incubators, stoppen veel geld in technologie transfer centra, en moedigen hun werknemers aan om externe gelden binnen te halen of een eigen bedrijf te starten. Dezelfde trend zien we in heel Europa.

Hoe ondernemend zijn de Europese universiteiten eigenlijk? Een onderzoeksteam van de Universiteit Leuven zocht het uit en publiceerde de resultaten in het nieuwste nummer van Research Policy. Uit het artikel blijkt dat het matig gesteld is met de ondernemende kwaliteiten van de Europese universiteiten. De onderzochte universiteiten  halen gemiddeld 27 miljoen binnen aan contractonderzoek (komt neer op een vrij schamele € 14000 per wetenschappelijk medewerker); er ontstaan gemiddeld 2 a 3 nieuwe bedrijven per jaar, en er worden 4 a 5 patenten toegekend. Dat houdt dus niet over. De variantie is wel groot. Overigens doen Europese universiteiten niet of nauwelijks onder voor Amerikaanse (de toppers niet meegerekend).

Interessant is dat er een positief verband blijkt te zijn tussen onderzoeksproductiviteit en ondernemerschap. Met andere woorden: Universiteiten die veel wetenschappelijke artikelen produceren (per werknemer) scoren ook hoger op contract research, patenten, en spin-offs (in iets mindere mate). Industriële partners doen blijkbaar  liever zaken met universitaire partners die in hoog wetenschappelijk aanzien staan.

Dit onderzoek laat zien dat goed onderzoek (‘kennis’) en ondernemerschap (‘kassa’) niet strijdig zijn maar elkaar juist kunnen versterken. Dit plaatst de forse bezuinigingen op wetenschappelijk onderzoek (met name de grote afname van het aantal AIOs door vermindering van de FES gelden) in een ander daglicht: Misschien is het toch niet zo verstandig om de onderzoeksproductiviteit –waar AIOs in hoge mate aan bijdragen- onder druk te zetten.

Helaas hebben de onderzoekers niet gekeken naar verschillen tussen landen. Daardoor weten we niet hoe Nederlandse universiteiten er voor staan t.o.v. andere landen. Via de auteurs ga ik trachten deze gegevens te achterhalen: wordt hopelijk vervolgd!

Bron: Entrepreneurial effectiveness of European universities: An empirical assessment of antecedents and trade-offs, door Bart Van Looy, Paolo Landoni, Julie Callaert, Bruno van Pottelsberghe, Eleftherios Sapsalis, en Koenraad Debackere, in Research Policy 40 (2011) 553–564

Journal homepage: www.elsevier.com/locate/respol



woensdag 23 maart 2011

Hoe ontwikkel je een economische strategie voor een regio? Amsterdam vs Helsinki





Stedelijk regio’s in de hele wereld zoeken naar manieren om hun economisch beleid te vernieuwen. Meer samenwerken is het devies, om mee te kunnen in de kenniseconomie. In de eerste plaats tussen gemeenten in dezelfde stedelijke regio (elkaar beconcurreren heeft weinig zin maar gebeurt maar al te vaak), maar ook tussen bedrijfsleven, overheid en onderwijs/onderzoeksinstellingen.

Maar hoe pak je zoiets eigenlijk aan?

De Metropoolregio Amsterdam (inclusief o..a Haarlem, Schiphol en Almere) heeft, na stevige kritiek van de OESO op de regionale kenniseconomie, de EDBA opgericht, in goed Nederlands de Economic Development Board Amsterdam.  Deze board staat onder leiding van de burgemeester van Amsterdam, en verder zitten alle regionale ‘hotshots’ uit overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven erin. Er zijn zeven sectoren geselecteerd, waar de regio in moet gaan uitblinken: de creatieve industrie, life sciences, flowers & food, handel & logistiek, zakelijke dienstverlening, en congressen & toerisme. Alles dus eigenlijk. Voor elke sector wordt nu een strategie uitgewerkt, onder leiding van een ‘trekker’ uit de betreffende sector (meestal de directeur van een groot bedrijf), en per sector moet er ook een onderwijs- en onderzoeksagenda komen. Er is een aparte groep die voorstellen uitwerkt voor de ‘humuslaag’, de stedelijke omgeving waar innovatie tot bloei kan komen.
Ik zie het als winst dat zoveel partijen samen bezig zijn met de economische strategie van de regio. Het is hard nodig en had natuurlijk al veel eerder moeten gebeuren. Spannend waar de groepen eind deze maand (want dan moet hun verhaal al af zijn) mee komen. Of het veel gaat opleveren? Ik zie een aantal risico’s en zwakke punten. Er is erg weinig focus, iedereen praat en doet mee. Dan krijg je al snel dat gevestigde belangen hun eigen prioriteiten sterk naar voren proberen te brengen, zonder dat er echt samenhang ontstaat. Ik mis ook een heldere visie en analyse op wat een grootstedelijke regio nu eigenlijk innovatief en dynamisch maakt, en daar zou het toch mee moeten beginnen. Een ander risico is het gebrek aan slagkracht. Als er een strategie ligt, wie gaat ‘m dan uitvoeren? Er is niet echt een uitvoeringsorganisatie. En: Voor elk van de gekozen speerpunt-sectoren zou je de vraag moeten stellen: Waar houdt de verantwoordelijkheid van de overheid op en begint die van de kennisinstellingen en het bedrijfsleven? Welke duurzame prikkels krijgen partijen om echt gezamenlijk op te trekken? Ook gaat het proces wel erg snel: ik ben bang dat een half jaar te kort is om te komen tot een echt goed doordachte en breed gedragen strategie die ook nog echt verschil gaat maken.

Helsinki

In Helsinki hebben ze al veel langer ervaring met dit soort werk. In 2004 lag er al een innovatie-agenda voor de hele regio (daarvoor vochten gemeenten in de regio elkaar de tent uit), en vorig jaar werd de nieuwe strategie gepresenteerd: 'Prosperous Metropolis: a competitiveness strategy for the Helsinki Region’. Het is een product van de drie grote gemeenten in de regio: Helsinki, Espoo, Vantaa. Opvallend: Men is geheel van de sectorale benadering afgestapt. Het gekozen devies is heel eenvoudig: Creëer gezamenlijk een omgeving waar innovatie kan floreren. Dan komen de bedrijven, mensen en sectoren vanzelf ook.  Er is gekozen voor vier punten waar de regio zichzelf echt moet
 verbeteren en waar de overheid ook belangrijke sturende  mogelijkheden heeft:

1. Improving top-quality education
2. Building good quality of life
3. Strengthening user-driven innovation
4. Internationalisation

Voor elk van de punten zijn hele concrete acties bedacht, en er is duidelijk afgesproken wie welke actie gaat uitvoeren. De doelstellingen zijn helder en meetbaar, en de voortgang wordt systematisch gemonitord. Er is meteen ook een convenant met de nationale overheid gesloten. Finse daadkracht waar we wel wat van op kunnen steken!

donderdag 24 februari 2011

Campus development


I am writing a handbook about the development of urban knowledge hotspots (science parks, campuses, creative quarters etc.). This is one of the points I will make:

In many places in Europe (Utrecht and Rotterdam are among them), 1970s-style suburban university campuses are being transformed into more diverse places, by adding all sorts of functions to the campus (student housing, restaurants, amenities etc.). This may make sense from the university’s perspective. However, there is a tradeoff: this development goes at the expense of the liveliness of the (inner) city, and reduces the demand there.  Students and staff that otherwise would have lived and consumed in the city, now spend their time and money in the campus area.  Policymakers must realise that the indirect costs of a less lively (inner) city are substantial, with impacts on tourism, image, and attractiveness for the creative class. 

donderdag 17 februari 2011

Naar de top in biotech? Meedoen met de Vlamingen!

Verhelderende analyse in NRC over farma en biotech: hoe kom je van kennis tot kassa? In Nederland lukt dat maar niet. Het enorme kennispotentieel leidt niet of nauwelijks tot industriele toepassingen. Twee biotech investeerders leggen in het artikel uit waarom het in Vlaanderen wel lukt. Daar is het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) al 15 jaar lang bezig met valorisatie, in nauwe samenwerking alle Vlaamse universiteiten die zich met life science bezig houden. Er is geld, er zijn ervaren managers die weten hoe de industrie werkt, en die snappen hoe wetenschap en industrie bij elkaar kunnen komen, en hoe je aan risicokapitaal komt.
Voor verschaffers van durfkapitaal (zoals de schrijvers van het artikel) is het VIB een uitkomst: het levert goed uitgewerkte, realistische 'business propositions' waar je als kapitaalverstrekker iets mee kunt.
In Nederland heeft elke universiteit zijn eigen goedbedoelde maar te weinig professionele technology transfer office. Het lijkt een goed idee om het Vlaamse voorbeeld te volgen. Er zijn inmiddels 11 start-ups uit VIB voortgekomen, die bij elkaar ruim 420 miljoen Euro risicokapitaal wisten aan te trekken.

De investeerders: "Wij begrijpen niet dat het VIB-concept niet al lang geleden is gekopieerd. Een grondige herstructurering van het mechanisme van technology transfer naar Belgisch voorbeeld verdient nader onderzoek. Het levert voor veel minder geld een veel beter resultaat op, in een markt die schreeuwt om producten. Zo simpel kan het zijn."


Er is iets goed misgegaan in Nederland. Farma en biotech zijn al jaren een speerpunt voor de Nederlandse overheid: er zijn honderden miljoenen gepompt in het Top Instituut Farma en het Centre for Translational Molecular Medicine....
 
Kopieren? Misschien kunnen de Nederlandse universiteiten beter gewoon aanhaken bij het VIB in plaats van het wiel opnieuw uit te vinden. Dan ontstaat misschien een prachtig biotech cluster in de lage landen, dat kan concurreren met Cambridge, Boston en Munchen.
 

zondag 13 februari 2011

What role for manufacturing industries in the urban knowledge economy?





The share of manufacturing in many cities has declined dramatically. A growing number of policymakers (including US president Obama) are deeply worried about this, and design policies to revitalise these industries. But is de-industrialisation a problem? And how does manufacturing fit in the new ‘knowledge economy’? This article discusses the new role of manufacturing industries in various types of cities. It is based on a comparative urban study in 10 cities in Europe, Asia and Latin America.
Read the article here

mainpic.jpg

dinsdag 18 januari 2011

Kenniseconomie, quo vadis?

Het gaat niet goed met de Nederlandse kenniseconomie.....Men leze de NRC van vandaag.

-De overheid geeft al weinig uit aan onderwijs en onderzoek, en gaat nog verder snijden:

a. een paar honderd miljoen op hoger onderwijs. Dat betekent minder docenten, vollere lokalen, minder individuele aandacht, en dus zeer waarschijnlijk een lagere kwaliteit.

b. de FES gelden vallen weg voor onderzoek (aardgasbaten die voor onderzoek werden aangewend, ongeveer 500 miljoen per jaar). Dat scheelt heel veel geld voor Nederlandse universiteiten, en zal zich vooral vertalen in aanzienlijk minder AIO's en postdocs (schattingen gaan uit van 3000 minder, op een totaal van 10,000 AIOs en postdocs),  minder wetenschappelijke publikaties, en nog minder perspectief voor jonge mensen die een wetenschappelijke carriere willen.

-Bedrijven geven ook al heel weinig uit aan R&D; 0,9% van het BBP (Nederland zit in de Europese staart; het EU gemiddelde is 1,3%). Heeft ook te maken met de Nederlandse sectorstructuur die sterk op diensten is gericht, en daar wordt minder aan R&D uitgegeven. Maar het percentage daalt: In 1999 was het nog 1,1%.

....Maar hoe erg is het eigenlijk? Een paar relativeringen zijn op zn' plaats:

-Het percentage dat we aan R&D uitgeven is gedaald, maar het BBP in Nederlands is in de afgelopen 10 jaar veel sneller gegroeid dan het Europese gemiddelde. Als je daarvoor corrigeert ziet het plaatje re heel anders uit.

-Over R&D uitgaven: meer R&D leidt niet altijd tot meer groei. Zweden is het voorbeeld waarbij extreem hoge R&D uitgaven niet leiden tot meer groei. Bovendien wordt innovatie in de dienstensector nooit gemeten in de rankings (dat is ook heel moeilijk), terwijl Nederland het toch vooral van handel en diensten moet hebben. Misschien zijn we dus veel innovatiever dan uit deze cijfers blijkt.

-de Nederlandse economie is zeer flexibel en sterk, onze productiviteit behoort tot de hoogste in de wereld, de de groei is de afgelopen decennia hoger dan het EU gemiddelde. Welke schade richten de al jaren dalende uitgaven dan precies aan? Dat is nog nooit echt overtuigend uitgezocht. Ik schat in dat mijn punt a het meest fnuikend zal blijken.

De KIA-coalitie (een groot aantal partijen in NL die de kenniseconomie een warm hart toedragen) laat vandaag weten dat in 2020 de Nederlandse publieke uitgaven aan kennis en innovatie tussen de 4,5 en 6 miljard euro hoger moeten zijn, en de private investeringen tussen de 2,5 en 4,5 miljard euro. In een latere blog kom ik hierop terug.

vrijdag 8 oktober 2010

Veel Europees geld naar Polen: wat doen ze ermee?

Drie dagen in Bialystok geweest, een studentenstad met 300,000 inwoners (waarvan 50,000 studenten) in het Noordoosten van Polen. De stad is doordrenkt van geschiedenis, overal zijn sporen van geweld, machtwisselingen, opstanden en verwoestingen, zo kenmerkend voor dit deel van Europa.  Maar het is nu vooral een stad die vooruitkijkt en onderdeel van Europa wil zijn. Europees subsidiegeld is de drijfveer van alle beleid in dit arme deel van Polen. Er gaan vele miljoenen euro’s naartoe. Om optimaal te profiteren is de stad een efficiënte projectmachine geworden, overal wordt gebouwd, er komen nieuwe wegen, nieuwe bedrijventerreinen, nieuwe buslijnen en een nieuw stadion. En de binnenstad is heel mooi opgeknapt.

Zomaar een paar projecten, met bijbehorende subsidie:

Opera en concertzaal: €25 mjn
Vliegveld: €61,5 mjn
Special Economic Zone: €12,5 mjn (bedrijfsterrein zonder belasting)
Nieuwe treinstellen: € 9,5 mjn.
Voetbalstadion: € 26,8 mjn
Science Park: € 26,9 mjn
Industrieterrein: € 2,7 mjn.
Openbaar vervoer: € 59 mjn
Nieuwe wegen: € 62 mjn.

Meestal hoeft de stad maar 20% van de projecten zelf te financieren. Dat leidt tot een enorme versnelling van investeringen, maar er is ook wel een gebrek aan visie op het geheel, en vaak weinig kritische reflectie op nut en noodzaak van investeringen. Alles is erop gericht om het geld weg te zetten, en ik denk dat ze dat op lange termijn gaat opbreken. Het gaat trouwens niet alleen om hardware: belangrijk doel is ook het stimuleren van ‘innovatief ondernemerschap’ in de regio. Bedrijven worden ongelofelijk in de watten gelegd; ze krijgen vrijwel gratis kapitaal, R&D uitgaven worden voor 80% gefinancierd, en startende bedrijven krijgen zelfs geld om voor twee jaar hun exploitatie te dekken.  Stimuleer je zo ondernemerschap? Ik denk dat je bedrijven vooral leert hoe subsidieaanvraagformulieren op de juiste manier in te vullen, en zich te schikken naar de voorwaarden.

Ik kwam vooral voor het science park, en om te discussiëren over hun kenniseconomie, samen met een aantal experts uit andere landen. De stad is bezig om een ‘science & technology park’ aan te leggen, vrijwel volledig gefinancierd met Europees geld, maar wat moet er eigenlijk in dat park komen? De bestuurders van de stad zoeken naar oplossingen, en doen dat op een positieve en energieke manier. Ik vond de ambtenaren sterk opereren, en ze spreken vrijwel allemaal goed Engels. De ambitie is echt om de stad verder te brengen in de kenniseconomie, maar in de praktijk is dat niet zo eenvoudig. Veel bedrijven staan laag op de technologische ladder en innoveren nauwelijks; buitenlandse investeerders kiezen vaak voor Warschau of andere grotere steden. De groei moet echt van binnenuit komen. Samen met lokale mensen hebben we een aantal suggesties gepresenteerd aan de burgemeester. Die ziet ook alleen het neerzetten van een gebouw niet genoeg is. Het probleem zit’m vooral in de gebrekkige samenwerking tussen de universiteiten en de stad. Die werken volledig langs elkaar heen, en bovendien zijn de universiteiten erg naar binnen gericht. Waar heb ik dat trouwens eerder gezien?




woensdag 1 september 2010

Waarom komen de farma bedrijven niet naar Nederland?


Het biomedisch onderzoek in Nederland staat in de mondiale top-5 van de wereld.  Farma is al jaren een speerpunt voor de Nederlandse overheid. De overheid heeft honderden miljoenen gepompt in het Top Instituut Farma en het Centre for Translational Molecular Medicine.  Je zou verwachten dat farma en biotech bedrijven uit de hele wereld staan te dringen om zich in Nederland komen vestigen, met zo’n prachtige kennisbasis waar ze van kunnen profiteren.

Niet dus. Nederland drijft al  jaren op dezelfde farma reus, Organon. Er zijn weliswaar een paar kleinere spin-off bedrijven ontstaan. Maar als economische sector is farma echt marginaal te noemen. En met de ontmanteling van Organon blijft er helemaal weinig over. Al die jaren van miljoeneninvesteringen hebben dus een bedroevend laag rendement opgeleverd. De vraag is: Hoe kan dit? Wat ging er mis? Waarom hebben we nog steeds geen sterk farmacluster?

Piet Borst schrijft er vandaag verontwaardigd over in NRC maar gaat helaas niet op deze vragen in. Volgens hem hebben Merck/MSD (de huidige eigenaar)  en Akzonobel (die Organon voor een prachtige prijs van de hand deed) het gedaan. Hij komt met de goedbedoelde maar onuitvoerbare suggestie om een deel de rekening bij deze bedrijven te leggen. Zij zouden middelen beschikbaar moeten stellen voor een doorstart.  Volgens Borst doet Merck/MSD –hoe dom- aan waardevernietiging door een goedlopend bedrijf te ontmantelen. ‘De meerwaarde van dat goedlopende bedrijf gaat in een klap verloren’ schrijft hij letterlijk. Als econoom vraag ik me dan af: waarom zou een bedrijf dat doen? Wie gaat er opzettelijk meerwaarde vernietigen na er eerst 11 miljard voor betaald te hebben?

Volgens Borst moeten we naar Singapore kijken. Dat land zou ‘effectieve acquisitiemethoden’ hebben toegepast om farmabedrijven te lokken. Ook haalde men toponderzoekers uit de hele wereld, want je bouwt geen farmasector op zonder toponderzoek. Nederland zou het nog beter moeten kunnen doen dan Singapore, want wij hebben al een sterke kennisbasis, terwijl daar  de kennisbasis nog van de grond af aan opgebouwd (of bij elkaar gekocht) moest worden.

Iets beter acquireren, en dan komt het goed? Was het maar zo simpel.
Waarschijnlijk was het eerder een voordeel dan een nadeel dat Singapore geen academische kennisbasis had.  Geen acht verschillende universiteiten, gevestigde belangen, en een wirwar van subsidiepotjes en regelingen die elk jaar veranderen. Het doel was niet om iedereen tevreden te houden, maar om een world-class cluster op te bouwen. Niet verspreid over verschillende steden en campusjes, maar in een echt substantiële campus, de Biopolis. Niet gelieerd aan (en afhankelijk van) één groot bedrijf, maar open voor iedereen. Dat was geen ideetje van een ‘innovatieplatform’ waarin alle gevestigde belangen elkaar de bal toespeelden, maar een realistische ambitie van vooruitziende en goed geïnformeerde leiders die knopen durven door te hakken.

zondag 1 augustus 2010

Sluiting MSD Oss: interpretaties

Terug van vakantie lees ik in NRC de artikelen over de sluiting van MSD in Oss. Fascinerend: Het roept van alles op, over Nederland, onze kenniseconomie, en hoe nu verder. Wat is er aan de hand? Verschillende interpretaties worden gegeven:

-De sluiting is een symptoom van het nietsontziende mondiale kapitalisme, dat niks geeft om mensen en tradities, niet aan landen of regio’s is gebonden, en op de korte termijn is gericht. Oss, bakermat van de SP, is het slachtoffer van een op winst beluste Amerikaanse multinational.

-Economie is politiek. Als Balkenende meteen de topman van MSD had gebeld (net als Sarkozy deed want ook in Frankrijk dreigde MSD een vestiging op te doeken), dan was het misschien niet gebeurd. We moeten assertiever industriepolitiek bedrijven en onze parels beter beschermen. Bij de verkoop van Nederlandse bedrijven aan buitenlandse investeerders moeten voorwaarden worden gesteld over behoud van banen.

-De sluiting is een bedrijfseconomische beslissing van een multinational, die weliswaar te betreuren valt maar waar verder niet veel aan te doen is. Het is de manifestatie van de trend dat farmaceutische bedrijven naar een ‘open innovatiemodel’ toegaan, waarbij ze niet langer alle research zelf doen maar liever samenwerken met kleine, gespecialiseerde kennispartners. Misschien ook uit Oss…

-Het is een teken van het failliet van de Nederlandse kenniseconomie. Het was al niet veel, en nu blijft er helemaal weinig over. In Nederlands staat innovatie gelijk aan een langzaam voorbij trekkende stroom papier met woorden als ‘kennisvoucher’, ‘regievraagstuk’ en ‘koploperomgeving’. Zo bouw je geen kenniscluster en dat is maar weer eens bewezen.

-Kenniseconomie is niet iets voor plaatsen als Oss: geen universiteit, geen grootstedelijk milieu, geen vruchtbare face-to-face contacten, niet internationaal bereikbaar, kortom, geen geschikte innovatie-omgeving.

Ik voeg er nog een paar interpretaties aan toe:

-De case MSD illustreert de Hollandse ziekte: een sterke kennisbasis, maar geen business. Nederland behoort tot de top in wetenschappelijk onderzoek in life sciences: we zijn internationaal de nummer drie of vier. Maar dat vertaalt zich nauwelijks in business –de Nederlandse lifesciences sector is klein- , en na het vertrek van MSD ziet het er nog somberder uit.

-Life Sciences is geen motor van de Nederlandse economie: eerder een forse kostenpost. De case MSD toont de risico’s van specifiek innovatiebeleid gericht op een bepaalde sector. Biomedisch onderzoek kan in Nederland niet bestaan zonder een enorme bijdrage van de staat. Veel onderzoek van de universiteiten wordt door overheidsgeld gefinancierd (1e geldstroom of NWO), aangevuld met bijdragen van de farmaceutische industrie.Het top-instituut Pharma heeft een budget van 260 miljoen, waarvan maar een kwart door bedrijven wordt ingebracht, de rest door de overheid en de universiteiten (ook overheidsgeld). Voornaamste doel van het instituut is ‘valorisatie’: wetenschappelijke kennis omzetten in economische waarde. En daar komt nu nog minder van terecht.

-Aan technische/wetenschappelijke kennis wordt een hogere waarde toegekend dan andere soorten kennis en vaardigheden. Impliciet wordt verondersteld dat het erger is dat een bioloog of techneut zijn baan verliest dan een salesmanager of fiscalist. Waarom verdienen de laatste twee dan eigenlijk zoveel meer (zonder subsidies)? Omdat de markt hun kennis wel op waarde schat.

zaterdag 12 juni 2010

Tip voor Mark Rutte: ga eens langs bij Jeffrey Sachs voor een goed advies

Deze week fileert topeconoom Jeffrey Sachs in de Financial Times het economische beleid van de VS van de afgelopen paar jaar. Ik denk dat zijn analyse ook voor Europa en Nederland van toepassing is. Wat ging er allemaal mis?

Toen de crisis uitbrak, begonnen overheden bakken met geld uit te geven aan stimuleringspakketten (geleerd van Keynes) in de hoop de dreigende massawerkloosheid af te wenden: Sloopregelingen voor auto’s, naar voren halen van infrastructuurprojecten, belastingvoordelen voor het MKB etc.

Dit beleid was gebaseerd op een aantal dubieuze veronderstelligen namelijk 1) dat een korte-termijn impuls de economie een zetje in de goede richting zou geven, 2) dat een tijdelijke vergroting van het overheidstekort/staatsschuld geen probleem zou zijn en 3) dat je met versneld projecten uitvoeren zowel korte en lange termijn ambities zou kunnen combineren. Dit alles was zo aantrekkelijk dat politici de verleiding niet konden weerstaan om massaal de buidel te trekken.

Wat is er dan mis met dit verhaal? Sachs noemt de volgende misvattingen.

Ten eerste: het groeimodel dat we hadden –gebaseerd op lenen, consumeren en stijgende huizenprijzen- deugde niet, maar politici probeerden dit verkeerde vliegwiel weer aan te zwengelen door allerlei kotsbare stimuleringsmaatregelen. Maar er moest gewoon een keer een correctie komen.

Ten tweede: je kunt niet straffeloos het begrotingstekort laten oplopen (zoals Obama, Bos/Balkenende e.v.a. deden) als je de markten niet tegelijk overtuigt dat je het daarna weer omlaagbrengt: zie de Eurocrisis. Hier doet Nederland het trouwens beter dan de VS, waar belastingverhogen echt taboe is en overheidsuitgaven (en dienstverlening) al zo laag zijn dat er weinig meer te bezuinigen valt –behalve dan misschien op defensie. Ergo: hoe gaan de Amerikanen ooit hun tekort wegwerken?

En nu gaat het weer mis: veel Europese overheden kondigen draconische bezuinigingen aan (Duitsland: 80- miljard; Nederland minstens 20) om het tekort snel terug te brengen. Net zo simplistisch als de stimuleringspakketten van een jaar terug, vindt Sachs. Zijn alternatief: begin nu wel met bezuinigen, maar niet extreem. Werk met een tijdschema van 5 jaar om de overheidsfinanciën omlaag te brengen. Neem nog langer (10 jaar) de tijd om echt structurele hervormingen door te voeren in arbeidsmarkt, onderwijs en zorg. Dat gaat nu eenmaal niet in een paar jaar. Overheden moeten het publiek uitleggen dat echte economische groei wordt gecreëerd door beter onderwijs, nieuwe technologie, duurzaam produceren, en slimmer werken, en dat vraagt jarenlang volgehouden goed beleid, geen korte termijn fiscale stimuli. Tenslotte pleit Sachs voor meer herverdeling. In de VS zijn de superrijken –die de campagnes financieren- de afgelopen decennia alleen maar rijker geworden en volkomen vervreemd geraakt van de maatschappij. In Nederland geldt dit laatste ook, hoewel de inkomensverdeling er bij ons wel heel anders uitziet.

Misschien moet Mark Rutte maar eens bij Jeffrey Sachs op de koffie gaan in plaats van bij de koningin of Geert Wilders.

zondag 23 mei 2010

Read: Design driven innovation, on radical innovations

Design-driven innovation

Roberto Verganti is a well-known student of innovation management. His new book, ‘design driven innovation’, analyses the success of companies that introduce radical innovations in the market. Not technological innovations, but innovations of meanings. An example is the introduction of the Wii by Nintendo. Gaming with the Wii is a far cry from conventional gaming with a console: it is about social interaction and physical activity in the living room. It has completely changed the meaning of games, and in a few years, Wii conquered the market. In this book, Verganti mentions a lot of other examples of firms that produced this sort of radical innovations of meaning (mostly from the Italian furniture and home appliances industry).

‘Design’ obtained a lot of attention in the business world in the last years, and also cities and regions increasingly consider their design or ‘creative’ sector as key growth sectors and develop policies accordingly. Typically, design is seen as a differentiator, a way to make products look better. Designers and artists are able to deliver this. But to Verganti, design is not primarily about the ‘look’ of products (although of course its part of it); Rather, in his vision, design means ’making sense of things’.

Creating radically different meanings –making new sense of things- is potentially very profitable –see Apple and Nintendo- but how to do it? One thing NOT to do is to set up focus groups and involve users/consumers in innovation. This works for incremental innovations but not for radical ones. Rather, firms need to make new ‘propositions’ to the public. Of course this is risky: how do you know if the public will like it, and buy it? One of Verganti points is that firms need to immerse themselves in the design discourse. Rather than hiring an established top designer, firms need to actively link up with circles of artists, designers, architects and other people who are some kind of modern prophets (he calls them ‘interpreters’): they interpret the world, their imaginary power may help you to propose new meanings. Alessi, the famous Italian innovator of household appliances, does this very actively, and its CEO plays a key role personally. It’s not only about interpreting; firms need the ability to select the right interpreters and create their own vision. Linking up with these interpretors –artists, designers, architects etc.- can also help to seduce the public and prepare them to accept new propositions. These people influence global trends, and create new images that appeal to people. Harnessing their ‘seductive’ power is key.

Verganti’s book is interesting and inspiring. It has also some implications for regions and cities. One is that cities or regions with a rich cultural life and an active ‘design discourse’ are more inspiring environments for radical innovators. Verganti mentions Milan, Copenhagen, Helsinki and San Francisco explicitly but the list is longer of course. Think about the implications for regional innovation policy.

Check this site for more: http://www.designdriveninnovation.com/

woensdag 21 april 2010

De toekomst van het hoger onderwijs in Nederland

De Commissie Veerman heeft recent een uitstekende analyse gemaakt van het hoger onderwijs in Nederland, en concludeert dat het huidige stelsel niet toekomstvast is (zie link naar het rapport hieronder). Het voert te ver om de hele analyse samen te vatten maar ik vind het een knap stuk werk en deel de inhoud grotendeels. Dat gezegd hebbende pik ik er vier dingen uit die bij mij vragen oproepen.

1. De commissie houdt vast aan de waarde van het onderscheid tussen WO en HBO, en pleit ervoor dat universiteiten zich weer meer moeten gaan richten op onderzoek en academische vorming (weg met de massastudies waar nauwelijks een link met onderzoek is), en HBO instellingen op beroepsonderwijs. Het klinkt goed. Maar feitelijk komen nu verreweg de meeste universitaire studenten gewoon na hun studie in een beroep terecht, en niet in het onderzoek. Moeten al die studenten in de toekomst bij het HBO aankloppen? Dat zullen ze m.i. alleen willen als de status van HBO onderwijs beter wordt, en dat lukt alleen als de moeilijkheidsgraad flink omhoog gaat, studenten meer uitgedaagd worden, en het niveau van de docenten omhoog gaat. Ik acht de meeste HBO-instellingen daartoe voorlopig niet in staat, alleen al omdat momenteel minder dan de helft van de HBO docenten een Mastertitel heeft. Voor de meeste VWO-ers is het HBO als lang geen optie meer (de VWO instroom in het HBO is gedaald van 20% in 1996 naar 10% nu) en dat zal niet snel veranderen. Het zou ook helpen wanneer er meer mobiliteit is tussen HBO onderwijs en bedrijfsleven, bijvoorbeeld via docentstages. Teveel HBO docenten weten niet (meer) hoe de praktijk in elkaar zit en studenten hebben dat snel in de gaten. Hierover zegt de commissie niets.

2. Het belonen van prestaties van de instellingen moet anders. Nu krijgen instellingen geld naar rato van het aantal studenten; dat leidt tot imitatiegedrag om maar zoveel mogelijk studenten aan te trekken (want daar is de financiering op gebaseerd), of de keuze voor ‘trendy’onderzoeksthema’s waar veel subsidie te halen is. De commissie vindt terecht dat hogescholen en universiteiten zich beter moeten profileren, en stelt dat de bekostiging meer moet plaatsvinden op basis van dat profiel i.p.v. op aantallen studenten. Maar nergens geeft men aan hoe dat zou moeten: het rapport “roept partijen op om hierover na te denken”. Het lijkt me dat de commissie op zn’ minst toch een aantal opties had kunnen bedenken, want het is een wezenlijk punt dat raakt aan de kern van het advies. Ik geloof niet in profilering via prikkels aan de aanbodzijde, dat ontaardt in bureaucratie en strategisch gedrag.

3. Professionele HBO-masters moeten volgens de commissie door de overheid bekostigd gaan worden (gebeurt nu nog niet, alleen tijdelijk), maar dan alleen als de arbeidsmarktrelevantie aantoonbaar groot is. Mijn ervaring is dat dit soort Masters veel meer ‘rendement’ opleveren –en voldoening voor de docent!- als een student een paar jaar werkervaring heeft, en de commissie constateert dat ook. Waarom niet alleen dit soort Masters bekostigen waarbij werkervaring een toelatingscriterium is? En ook een flink hogere bijdrage vragen van de student of zijn werkgever, want die profiteren er direct van.

4. De commissie constateert maar weer eens dat we in Nederland achterlopen op het gebied van life-long-learning (LLL) in het hoger onderwijs; tegelijk hebben we wel een groot aantal private aanbieders op de markt van onderwijs voor professionals (bedrijven geven bakken met geld uit aan scholing van hun meestal hoogopgeleide werknemers). De commissie noemt dit ‘onevenwichtig’, maar waarom eigenlijk? Waarom zouden marktpartijen het minder goed doen? Zij zijn bij uitstek vraag georiënteerd en veel flexibeler dan de vaak rigide HBO-opleidingen. De traditionele kennisinstellingen hebben allang geen monopolie meer op kennisontwikkeling en –overdracht; het is een vitale bedrijfstak geworden.
De commissie adviseert om LLL te stimuleren door over te gaan tot onderwijsrechten: iedereen krijgt recht op een aantal jaren onderwijs en mag zelf bepalen wanneer hij of zij er gebruik van maakt. Je kunt je afvragen waarom het een overheidstaak is om volwassenen (met werk) te subsidiëren die in hun eigen toekomst –of hobby, bijvoorbeeld kunstgeschiedenis- willen investeren. Ik mis, meer in het algemeen, een fundamentele analyse over de rol van de overheid in de onderwijsmarkt. De commissie is behoedzaam om dit politiek gevoelige punt heen gevaren, en dat is jammer.

Lees hier het hele rapport:
http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ocw/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/04/13/brief-aan-de-tweede-kamer-over-rapport-commissie-toekomstbestendig-ho-stelsel.html

dinsdag 23 maart 2010

OESO: Amsterdam niet klaar voor de kenniseconomie

De OESO heeft een analyse gemaakt van de rol van het hoger onderwijs (HBO en WO) in de regio Amsterdam. De studie maakt deel uit van een reeks vergelijkbare studies in steden en regio’s over de hele wereld.

Er worden harde noten gekraakt, waar het nieuwe college van Amsterdam haar voordeel mee kan doen. De belangrijkste conclusies: Amsterdam lijdt aan de zgn ‘Dutch paradox’: er wordt voortreffelijk onderzoek gedaan, maar het leidt niet of nauwelijks tot nieuwe producten , diensten of technologieën waarmee geld verdiend kan worden. Er is geen breed gedeelde visie op de rol van het hoger onderwijs in het regionale innovatie systeem, en er is geen lange-termijn strategie. En daardoor laat de regio kansen liggen. En die zijn er zeker, want Amsterdam beschikt over een hoogwaardige kennisinfrastructuur en een sterke economische basis.

De universiteiten staan met hun rug naar de stad

Universiteiten zijn bezig met de creatie van ‘focus en massa’ door bestaande onderzoeksgroepen die goed scoren verder te versterken, zonder te kijken naar de (kennis)vraag op de markt of mogelijkheden tot synergie met het regionale bedrijfsleven. De OESO-onderzoekers adviseren terecht om een betere afstemming te zoeken tussen de economische kracht van Amsterdam –die ligt vooral in de creatieve industrie en de zakelijke dienstverlening- en de speerpunten van de universiteiten en hogescholen. De universiteiten doen wel hun best om kennis te commercialiseren: ze hebben bureaus voor kennistransfer opgezet, en creëren steeds meer mogelijkheden voor spin-off bedrijven. Maar het is nog te weinig, te kleinschalig en onvoldoende professioneel. De HBO’s komen er iets beter vanaf: ze zijn sterker verbonden met de regio. De instelling van lectoraten wordt toegejuicht, maar het is nog te vroeg om conclusies te trekken. De commissie waarschuwt wel alvast dat HBOs, ook in hun onderzoek, zich vooral moeten richten op praktijkgericht onderzoek en de verleiding tot ‘academic drift’ moeten weerstaan.

Het rapport ontbeert m.i. wel een diepgaande analyse over de veranderende rol van kennisinstellingen. In de huidige kenniseconomie spelen kennisinstellingen een cruciale rol, maar tegelijk zijn ze het monoplie op kennisontwikkeling kwijt (voor zover ze dat ooit hadden). Het bedrijfsleven is een belangrijke kennisleverancier geworden (want alleen met voortdurende innovatie valt nog geld te verdienen). Dat betekent dat het lineaire model van kennisoverdracht (éénrichtingsverkeer van kennis, van universiteit naar bedrijfsleven) niet meer werkt. En ook voor de onderwijsmarkt heeft de kenniseconomie grote gevolgen: Er is de afgelopen decennia een enorme private scholings- en trainingsindustrie ontstaan, die inspeelt op de behoefte van het bedrijfsleven en (semi)publieke sector om kennis te delen en mensen voortdurend bij te scholen. Wat betekent dat voor hogescholen en universiteiten?

Internationalisering?

Ook op het gebied van internationalisering is de OESO-commissie weinig lovend over de hoofdstedelijke kennisinstellingen. Letterlijk spreekt de commissie van ‘a relative failure of higher education institutes to amplify their internationalisation strategy’ (p. 13). Ten eerste komen er relatief weinig buitenlandse studenten naar Amsterdam. Amsterdam, dat zich graag afficheert als internationale stad, staat blijkbaar niet prominent op de kaart als plek om te komen studeren. En buitenlandse studenten zijn belangrijk voor een stad: ze brengen nieuwe impulsen en netwerken mee, en het zijn potentiële hoogopgeleide immigranten. Er is geen gecoördineerd beleid om Amsterdam meer op de kaart te zetten als internationale studentenstad. Dat is een gemiste kans, zeker gezien de hoeveelheid Engelstalige programma’s en aantrekkelijkheid van Amsterdam als stad. De UvA en de VU zijn nogal geschrokken en hebben direct 2,5 miljoen euro vrijgemaakt om beurzen (a raison de 20,000 Euro per student) te kunnen geven aan talentvolle Chinezen en Indiërs. Maar dat is wat al te gemakkelijk. De echte uitdaging is natuurlijk om zo goed te zijn dat buitenlandse studenten diep in de buidel willen tasten (of fondsen bij elkaar harken) om in Amsterdam te komen studeren!

Het Amsterdamse ad-hoc model voldoet niet meer. Om echt een topstad te worden is leiderschap nodig, en nieuwe sterke instituties die lijnen uitzetten, partijen duurzaam aan elkaar binden, en zorg dragen voor concrete acties. Eindhoven kan als lichtend voorbeeld dienen: daar hebben ze de Brainport Development opgericht, een ontwikkelingsmaatschappij nieuwe stijl, die zich richt iop het versterken van de kenniseconomie van de regio in brede zin: Het faciliteren van clusters, afstemmen van onderzoek en bedrijfsleven, maar ook city marketing, ontwikkeling van specifieke bedrijfsterreinen voor de kennisindustrie, en kennistransfer richting het MKB. De organisatie is sterk bemand, en wordt gedragen door alle kennispartners in de regio.

Een tip voor het nieuwe college: ga eens in Eindhoven kijken!

zaterdag 3 oktober 2009

Spontaan gegroeide techno-hotspots

De beste technologie-hotspots zijn vaak niet als zodanig gepland. Silicon Valley is het klassieke voorbeeld maar er zijn er meer. In Aarhus heb ik er ook weer een gevonden.
Aarhus is de tweede stad van Denemarken. Het is een universiteitsstad: liefst 40.000 studenten op een bevolking van 300.000 (lijkt een beetje op Utrecht qua omvang en studentendichtheid). De universiteit behoort tot de de betere van Europa. Opvallend is dat de economie van Aarhus de laatste 10 jaar sneller is gegroeid dan die van de hoofdstad Kopenhagen, en dat heeft veel te maken met de sterke kennisbasis. De laatste jaren zijn er heel veel kennisintensieve bedrijven bijgekomen: start-ups, maar ook internationale high tech bedrijven zoals Google die de lokale kennis en talent willen aftappen. De stad blinkt uit in een klein aantal sterke kennis-industrieen: informatietechnologie, windenergie, en biotech.

Ik was drie dagen in Aarhus om een analyse te maken van een van de techno-hotspots van de stad: IT city Katrinebjerg. Het is een typisch voorbeeld van een organisch ontstaan cluster. Het gebied was 10 jaar geleden een vrij onbetekenend bedrijventerrein in een buitenwijk van Aarhus. Maar toevallig wel grenzend aan de universiteitscampus, die uit zn' jasje begon te groeien. Vooral ICT research groeide snel. Een aantal instituten opende een vestiging in Katrinebjerg: dichtbij de campus, en niet te duur. Al snel volgden er meer. Ook een business incubator opende een kantoor in het gebied, en het Alexandra instituut (een soort TNO instelling, met 100 medewerkers; doet top-level toegepast IT onderzoek). Inmiddels werken er 1800 IT experts in het gebied, en binnenkort opent ook de hogeschool er haar IT faculteit. Een handjevol mensen vormen de drijvende kracht achter Katrinebjerg, waaronder de directeur van het Alexandra Instituut, de decaan van de IT faculteit, en de decaan van de hogeschool. Er is een heel sterk informeel netwerk. Een ondernemer die ik sprak noemt de universiteit 'onze R&D afdeling hier om de hoek'.

Langzaam maar zeker is Katrinebjerg dus veranderd van een gewoon bedrijventerrein in een IT hotspot. Maar niet helemaal: er zit ook een braadworstenfabriek, een autosloperij, en een groot lelijk winkelcentrum, en die willen allemaal niet weg. De prijzen van vastgoed zijn in tien jaar verdrievoudigd, een veel snellere stijging dan gemiddeld in Aarhus. Maar de kwaliteit van de publieke ruimte is matig, en als je er bent heb je totaal geen idee dat je in een technologiehotspot bent. En niemand in Arhus (en laat staan daarbuiten) weet wat Katrinebjerg intussen is.

De leidende figuren in het cluster zien intussen het belang in van een goed georganiseerd gebied met meer uitstraling. Er is een Masterplan gemaakt, alleen helaas: de stad heeft geen geld om het uit te voeren. Politici investeren momenteel liever in schone technologie en waterfront development in de haven van Aarhus, dat scoort beter. En door de crisis blijven private investeerders ook weg. Men zoekt nu naar een model voor gebiedsmanagement. Niet te zwaar en bureaucratisch: het uitstekend functionerende informele netwerk mag niet 'kapotgeorganiseerd' worden. Aan mij was de taak om een discussie te modereren hoe zo'n model eruit kan zien. We kwamen uit op een soort 'clubmodel' waarbij de leden van de nieuw op te richten 'Katrinebjerg Club' een jaarlijkse fee betalen. Dat geld kan worden besteed aan gebiedsmarketing of het verbeteren van de publieke ruimte, of evenementen in het gebied.
Benieuwd hoe dat gaat uitpakken.




maandag 21 september 2009

Kun je succesvollle 'innovatiesystemen' plannen?

Hoe kunnen regio's succesvolle clusters ontwikkelen? Frans Nauta (Hogeschool Arnhem-Nijmegen) onderzocht 5 succesvolle regio's. Uitgangspunt was om na te gaan wat te leren valt van specifieke regionale innovatiesystemen voor clustervorming in de regio Arnhem-Nijmegen, en hoe de kennis omtrent succes- en faalfactoren kan bijdragen aan de ontwikkeling van een strategische innovatieagenda rondom de 4 beleidsthema´s in de regio Arnhem- Nijmegen (gezondheid, halfgeleiders, duurzame energie en mode & design).
Centrale conclusie uit het project is dat succes geen toeval is, maar in alle onderzochte gevallen het resultaat is van een goede en langdurige samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden (denk aan 10 jaar!). Voorwaarde hiervoor is bestuurlijk commitment in de regio. Het hele rapport is hier te vinden:

Het is een prima lezend verhaal, waar veel beleidsmakers hun winst mee kunnen doen; Helaas staat er niet al te veel in wat we nog niet wisten. En er zit ook een rare paradox in. Aan de ene kant concludeert het rapport terecht dat regio's zich moeten specialiseren: probeer niet alles te stimuleren, maar alleen datgene waarin de regio echt onderscheidend is. Je zou vervolgens een dringend advies verwachten aan het adres van de bestuurders in de regio Arnhem/Nijmegen: stop met het stimuleren van vier clusters: concentreer je op een of hooguit twee. Of was zo'n conclusie politiek niet haalbaar?

Maakbaarheid?
Ook ademt het rapport een sfeer van maakbaarheid. Succes is 'geen toeval', en dat suggereert ook dat innovatie in hoge mate door regionale/lokale overheden (bij) te sturen is. De vraag is in hoeverre dat zo is. Niemand heeft Silicon Valley bewust gepland, het is ontstaan door een veelheid van factoren die samenkwamen op een bepaalde plek (inderdaad, ook overheidsbeleid speelde daar een belangrijke rol, maar dat beleid was er niet op gericht om Silicon Valley te creeren; dat was een mooi bijproduct). En dat geldt voor meer clusters. Veel prachtclusters hebben helemaal geen 'trekker': het zijn gewoon heel veel kleine bedrijfjes in een bepaalde sector (bijvoorbeeld de creatieve industrie) die zich aangetrokken voelen tot een bepaald stedelijk milieu, en die op projectbasis wel eens samen wat doen. Bestuurders kunnen daar niet zoveel mee en worden er soms zelfs boos om (Ad Scheepbouwer gaf de Amsterdamse creatieve industrie onlangs een 'gele kaart' omdat ze zo weinig georganiseerd zijn! Ik zou zeggen: ga zo door!).

Rent seeking
Het risico van een actief clusterbeleid is dat je op de verkeerde paarden gaat wedden, terwijl er ergens anders alweer een nieuw groeibriljantje 'bottom up' aan het ontstaan is. Het gevaar van rent seeking is er altijd: (grote) bedrijven die de overheid verleiden om hun industrie tot 'speerpuntcluster' te verklaren, om vervolgens daar allerlei voordelen uit te halen.
Hoe kunnen ambtenaren weten waar de groei van de toekomst vandaan gaat komen? Er valt wat voor te zeggen om als overheid helemaal geen keuze's te maken maar alleen te faciliteren en te zorgen voor een aantrekkelijk woon- en leefklimaat en vestigingsklimaat. Als de hoogopgeleiden in Arnhem-Nijmegen komen wonen, volgen de innoverende bedrijven vanzelf. Dat laat onverlet dat bedrijfsleven en kennisinstellingen er allebei baat bij hebben om met elkaar samen te werken, maar daar hebben ze de overheid niet voor nodig.