Posts tonen met het label innovatiebeleid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label innovatiebeleid. Alle posts tonen

donderdag 17 februari 2011

Naar de top in biotech? Meedoen met de Vlamingen!

Verhelderende analyse in NRC over farma en biotech: hoe kom je van kennis tot kassa? In Nederland lukt dat maar niet. Het enorme kennispotentieel leidt niet of nauwelijks tot industriele toepassingen. Twee biotech investeerders leggen in het artikel uit waarom het in Vlaanderen wel lukt. Daar is het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) al 15 jaar lang bezig met valorisatie, in nauwe samenwerking alle Vlaamse universiteiten die zich met life science bezig houden. Er is geld, er zijn ervaren managers die weten hoe de industrie werkt, en die snappen hoe wetenschap en industrie bij elkaar kunnen komen, en hoe je aan risicokapitaal komt.
Voor verschaffers van durfkapitaal (zoals de schrijvers van het artikel) is het VIB een uitkomst: het levert goed uitgewerkte, realistische 'business propositions' waar je als kapitaalverstrekker iets mee kunt.
In Nederland heeft elke universiteit zijn eigen goedbedoelde maar te weinig professionele technology transfer office. Het lijkt een goed idee om het Vlaamse voorbeeld te volgen. Er zijn inmiddels 11 start-ups uit VIB voortgekomen, die bij elkaar ruim 420 miljoen Euro risicokapitaal wisten aan te trekken.

De investeerders: "Wij begrijpen niet dat het VIB-concept niet al lang geleden is gekopieerd. Een grondige herstructurering van het mechanisme van technology transfer naar Belgisch voorbeeld verdient nader onderzoek. Het levert voor veel minder geld een veel beter resultaat op, in een markt die schreeuwt om producten. Zo simpel kan het zijn."


Er is iets goed misgegaan in Nederland. Farma en biotech zijn al jaren een speerpunt voor de Nederlandse overheid: er zijn honderden miljoenen gepompt in het Top Instituut Farma en het Centre for Translational Molecular Medicine....
 
Kopieren? Misschien kunnen de Nederlandse universiteiten beter gewoon aanhaken bij het VIB in plaats van het wiel opnieuw uit te vinden. Dan ontstaat misschien een prachtig biotech cluster in de lage landen, dat kan concurreren met Cambridge, Boston en Munchen.
 

dinsdag 18 januari 2011

Kenniseconomie, quo vadis?

Het gaat niet goed met de Nederlandse kenniseconomie.....Men leze de NRC van vandaag.

-De overheid geeft al weinig uit aan onderwijs en onderzoek, en gaat nog verder snijden:

a. een paar honderd miljoen op hoger onderwijs. Dat betekent minder docenten, vollere lokalen, minder individuele aandacht, en dus zeer waarschijnlijk een lagere kwaliteit.

b. de FES gelden vallen weg voor onderzoek (aardgasbaten die voor onderzoek werden aangewend, ongeveer 500 miljoen per jaar). Dat scheelt heel veel geld voor Nederlandse universiteiten, en zal zich vooral vertalen in aanzienlijk minder AIO's en postdocs (schattingen gaan uit van 3000 minder, op een totaal van 10,000 AIOs en postdocs),  minder wetenschappelijke publikaties, en nog minder perspectief voor jonge mensen die een wetenschappelijke carriere willen.

-Bedrijven geven ook al heel weinig uit aan R&D; 0,9% van het BBP (Nederland zit in de Europese staart; het EU gemiddelde is 1,3%). Heeft ook te maken met de Nederlandse sectorstructuur die sterk op diensten is gericht, en daar wordt minder aan R&D uitgegeven. Maar het percentage daalt: In 1999 was het nog 1,1%.

....Maar hoe erg is het eigenlijk? Een paar relativeringen zijn op zn' plaats:

-Het percentage dat we aan R&D uitgeven is gedaald, maar het BBP in Nederlands is in de afgelopen 10 jaar veel sneller gegroeid dan het Europese gemiddelde. Als je daarvoor corrigeert ziet het plaatje re heel anders uit.

-Over R&D uitgaven: meer R&D leidt niet altijd tot meer groei. Zweden is het voorbeeld waarbij extreem hoge R&D uitgaven niet leiden tot meer groei. Bovendien wordt innovatie in de dienstensector nooit gemeten in de rankings (dat is ook heel moeilijk), terwijl Nederland het toch vooral van handel en diensten moet hebben. Misschien zijn we dus veel innovatiever dan uit deze cijfers blijkt.

-de Nederlandse economie is zeer flexibel en sterk, onze productiviteit behoort tot de hoogste in de wereld, de de groei is de afgelopen decennia hoger dan het EU gemiddelde. Welke schade richten de al jaren dalende uitgaven dan precies aan? Dat is nog nooit echt overtuigend uitgezocht. Ik schat in dat mijn punt a het meest fnuikend zal blijken.

De KIA-coalitie (een groot aantal partijen in NL die de kenniseconomie een warm hart toedragen) laat vandaag weten dat in 2020 de Nederlandse publieke uitgaven aan kennis en innovatie tussen de 4,5 en 6 miljard euro hoger moeten zijn, en de private investeringen tussen de 2,5 en 4,5 miljard euro. In een latere blog kom ik hierop terug.

donderdag 23 december 2010

Hollands industriebeleid voor milieutechnologie?


NRC Handelsblad heeft vertrouwelijke documenten in handen over het nieuwe innovatie/industriebeleid van de regering. De ambitie: Nederland moet een topland worden in drie technologieën: Windenergie op zee, zonnepanelen, en de ‘biobased economy’ (energie uit biomassa).  Consultant Roland Berger heeft uitgerekend dat deze technologieën samen tot 2020 ongeveer 7,5 miljard euro aan extra economische activiteit gaan opleveren, en tienduizenden extra banen (wie moeten die eigenlijk vervullen? Er is nu al een enorm tekort aan ingenieurs)

Het ministerie zet in op 2 sporen. Het eerste spoor is erop gericht om de milieudoelstellingen te halen (14% duurzame energie in 2020, en 20% minder CO2 uitstoot t.o.v. 1990). Dat wil men doen door het gebruik van ‘bewezen’ milieutechnologie te stimuleren. Hoe precies is nog niet duidelijk.
Het tweede spoor betreft het ontwikkelen van nieuwe, veelbelovende technologie voor de toekomst op de drie bovengenoemde gebieden. Er komt een groen fonds waar kleine bedrijven financiering kunnen krijgen, en het ‘wetenschappelijk onderzoek wordt gebundeld’.

Intussen komt dit beleid natuurlijk rijkelijk laat. De Denen liggen al mijlenver voorop met windenergie, de Duitsers met wind en biomassa, en de Spanjaarden en Chinezen met zonne-energie. Bovendien: hoe zinvol is het om als klein land proberen uit te blinken in technologie die over de hele wereld wordt ontwikkeld en gestimuleerd, en waar mondiaal vele grote ondernemingen actief zijn? Nederland heeft simpelweg een te kleine thuismarkt, en slechts een klein aantal spelers die er toe doen in dit mondiale geweld.

Mijn alternatief: geen specifiek industriebeleid voor milieutechnologie in Nederland; laat Nederlandse bedrijven toeleveren aan landen die al veel verder zijn dan wij. Het bundelen van het technologisch onderzoek moet internationaal gebeuren: Europees samenwerken is veel zinvoller dan nationaal.
En dan om de milieudoelstellingen te halen: verplicht energieleveranciers om een bepaald deel van hun energie uit duurzame bronnen te halen. Die hebben dan vanzelf een prikkel om de beste technologie ‘van de plank’ in te kopen.


woensdag 1 september 2010

Waarom komen de farma bedrijven niet naar Nederland?


Het biomedisch onderzoek in Nederland staat in de mondiale top-5 van de wereld.  Farma is al jaren een speerpunt voor de Nederlandse overheid. De overheid heeft honderden miljoenen gepompt in het Top Instituut Farma en het Centre for Translational Molecular Medicine.  Je zou verwachten dat farma en biotech bedrijven uit de hele wereld staan te dringen om zich in Nederland komen vestigen, met zo’n prachtige kennisbasis waar ze van kunnen profiteren.

Niet dus. Nederland drijft al  jaren op dezelfde farma reus, Organon. Er zijn weliswaar een paar kleinere spin-off bedrijven ontstaan. Maar als economische sector is farma echt marginaal te noemen. En met de ontmanteling van Organon blijft er helemaal weinig over. Al die jaren van miljoeneninvesteringen hebben dus een bedroevend laag rendement opgeleverd. De vraag is: Hoe kan dit? Wat ging er mis? Waarom hebben we nog steeds geen sterk farmacluster?

Piet Borst schrijft er vandaag verontwaardigd over in NRC maar gaat helaas niet op deze vragen in. Volgens hem hebben Merck/MSD (de huidige eigenaar)  en Akzonobel (die Organon voor een prachtige prijs van de hand deed) het gedaan. Hij komt met de goedbedoelde maar onuitvoerbare suggestie om een deel de rekening bij deze bedrijven te leggen. Zij zouden middelen beschikbaar moeten stellen voor een doorstart.  Volgens Borst doet Merck/MSD –hoe dom- aan waardevernietiging door een goedlopend bedrijf te ontmantelen. ‘De meerwaarde van dat goedlopende bedrijf gaat in een klap verloren’ schrijft hij letterlijk. Als econoom vraag ik me dan af: waarom zou een bedrijf dat doen? Wie gaat er opzettelijk meerwaarde vernietigen na er eerst 11 miljard voor betaald te hebben?

Volgens Borst moeten we naar Singapore kijken. Dat land zou ‘effectieve acquisitiemethoden’ hebben toegepast om farmabedrijven te lokken. Ook haalde men toponderzoekers uit de hele wereld, want je bouwt geen farmasector op zonder toponderzoek. Nederland zou het nog beter moeten kunnen doen dan Singapore, want wij hebben al een sterke kennisbasis, terwijl daar  de kennisbasis nog van de grond af aan opgebouwd (of bij elkaar gekocht) moest worden.

Iets beter acquireren, en dan komt het goed? Was het maar zo simpel.
Waarschijnlijk was het eerder een voordeel dan een nadeel dat Singapore geen academische kennisbasis had.  Geen acht verschillende universiteiten, gevestigde belangen, en een wirwar van subsidiepotjes en regelingen die elk jaar veranderen. Het doel was niet om iedereen tevreden te houden, maar om een world-class cluster op te bouwen. Niet verspreid over verschillende steden en campusjes, maar in een echt substantiële campus, de Biopolis. Niet gelieerd aan (en afhankelijk van) één groot bedrijf, maar open voor iedereen. Dat was geen ideetje van een ‘innovatieplatform’ waarin alle gevestigde belangen elkaar de bal toespeelden, maar een realistische ambitie van vooruitziende en goed geïnformeerde leiders die knopen durven door te hakken.

donderdag 8 juli 2010

Gelezen in NRC-Handelsblad: MSD weg uit Oss

MSD, een reuzenfarmaceut met 100.000 werknemers, moet bezuinigen. Het bedrijf schrapt wereldwijd 15000 banen, waarvan 2.175 in Oss. Opmerkelijk is dat de onderzoeksafdeling wordt opgedoekt (gespecialiseerd in anticonceptie en vruchtbaarheidsbehandelingen) maar dat de productieactiviteiten wel blijven –voor hoe lang?-. Het onderzoek wordt naar de VS verplaatst.

Is het erg dat dit gebeurt? Ja, natuurlijk voor sommige werknemers. Ook voor de regio (het was een van de grootste werkgevers van Oss), en voor Nederlandse belastingbetaler. Het bedrijf was tot voor kort het Nederlandse Organon. In 2007 werd het opgekocht door Schering Plough, dat daarna weer opging in het Amerikaanse MSD. In totaal ontving het bedrijf in de afgelopen 10 jaar 25 miljoen (!) aan onderzoekssubsidies, dat is de helft van alle subsidies voor de life science industrie. De resultaten daarvan –in de vorm van nieuwe producten en patenten, die veel geld op kunnen leveren- komen nu dus niet in Nederland terecht, maar in de VS. MSD was vooral geïnteresseerd in de nieuwe patenten –o.a. voor een medicijn tegen schizofrenie-, en niet in de onderzoekscapaciteit in Oss.

Zijn we de kennis en kenniswerkers nu kwijt? Niet per se. Sommige werknemers zullen wellicht naar de VS verhuizen; anderen zoeken een baan in de Nederlandse life science industrie.

Minister Maria van der Hoeven kan niks doen, zegt ze: een bedrijf mag zijn eigen afwegingen maken. Intussen ligt er een levensgrote vraag op het bordje van EZ: wat zijn de gevolgen voor het innovatiebeleid? Hoe er bijvoorbeeld voor te zorgen dat onderzoekssubsidies niet over de grens gesluisd worden. Ik zou wel eens willen weten wat het maatschappelijk rendement is van nationale onderzoeks- en innovatiesubsidies in een hyper-mondiale kenniseconomie.

MSD kijkt nu of er een ‘life science campus’ ontwikkeld kan worden waar kleine bedrijven zich kunnen ontwikkelen. Maar zoveel van dit soort bedrijven zijn er niet, en de kans dat de ontslagen werknemers van MSD massaal voor zichzelf gaan beginnen is heel klein: in deze sector is het starten van een bedrijf heel moeilijk gezien de complexiteit, de strenge testen en de grote onzekerheid of onderzoek wel zal leiden tot nieuwe commerciële successen. Bovendien zijn er al minstens drie steden in Nederland die een life sciences cluster ambiëren: Leiden, Amsterdam, en Utrecht. Misschien is het beter om daarbij aan te haken in plaats van nog meer versnippering te creëren. In Europa zijn er maar heel weinig life sciences clusters die er echt toe doen: Kopenhagen/Malmo, Munchen, Parijs, en Cambridge/Oxford. In Nederland kunnen we in die ‘league’ alleen meespelen als de krachten gebundeld worden.

zaterdag 27 maart 2010

Gebruikers betrekken bij innovatie?

Consumenten betrekken bij het ontwerp van nieuwe producten. Het is al enige tijd een trend, zo niet een hype. Maar werkt het ook? Is innovatie niet juist iets van briljante individuen/teams met visie? Henry Ford vond al van wel: een beroemde uitspraak van hem luidt als volgt: "Als ik de consument had gevraagd wat hij wilde, had ie om een sneller paard gevraagd, niet om een auto". En ook Luke Johnson, een bekende Britse ondernemer, ziet het zo. In een column voor de Financial Times schrijft hij dat grote doorbraken en verbeteringen niet worden bereikt door de consument te raadplegen. Focusgroepen bijvoorbeeld leveren niks op, sterker nog: je gaat verkeerde conclusies trekken. Steven Jobs, de baas van Apple: "Mensen weten niet wat ze willen totdat ze product gezien hebben". En trouwens, welke consument heeft zin of tijd om mee te doen aan dit soort onderzoek? Vaak zijn het 'eenzamen, ouderen, werklozen, studenten". Johnson: 'Als je wilt weten wat klanten echt belangrijk vinden, vraag het dan aan je medewerkers die dagelijks met klanten werken in plaats van aan marktonderzoekers'.

Mobielgigant Nokia gelooft wel in het betrekken van de consument bij het ontwerpen van nieuwe mobiele apparaten. Het bedrijf doet een experiment dat 'Design by Community' is genoemd. Eerst maken de ontwerpers/ingenieurs een concept model, en dat leggen ze vervolgens voor aan consumenten -je kunt je opgeven via internet om mee te doen.Elke week kan er weer gestemd worden over een bepaalde specificatie een nieuw apparaat: het display, de interface, het type materiaal, de grootte en vorm, etc. Als de specificatie bekend zijn gaat het Nokia design team aan de slag om prototypes te maken; een aantal verschillende concepten worden bedacht. gebruikers kunnen daaruit weer hun favoriet kiezen. Nokia ziet het als een oefening, een proef; Het is (voorlopig) niet de bedoeling om het product ook echt op de markt te gaan brengen.

Ik ben benieuwd wat dit gaat opleveren. Volg hoe het Nokia vergaat op
http://conversations.nokia.com/design-by-community/

zaterdag 3 oktober 2009

Spontaan gegroeide techno-hotspots

De beste technologie-hotspots zijn vaak niet als zodanig gepland. Silicon Valley is het klassieke voorbeeld maar er zijn er meer. In Aarhus heb ik er ook weer een gevonden.
Aarhus is de tweede stad van Denemarken. Het is een universiteitsstad: liefst 40.000 studenten op een bevolking van 300.000 (lijkt een beetje op Utrecht qua omvang en studentendichtheid). De universiteit behoort tot de de betere van Europa. Opvallend is dat de economie van Aarhus de laatste 10 jaar sneller is gegroeid dan die van de hoofdstad Kopenhagen, en dat heeft veel te maken met de sterke kennisbasis. De laatste jaren zijn er heel veel kennisintensieve bedrijven bijgekomen: start-ups, maar ook internationale high tech bedrijven zoals Google die de lokale kennis en talent willen aftappen. De stad blinkt uit in een klein aantal sterke kennis-industrieen: informatietechnologie, windenergie, en biotech.

Ik was drie dagen in Aarhus om een analyse te maken van een van de techno-hotspots van de stad: IT city Katrinebjerg. Het is een typisch voorbeeld van een organisch ontstaan cluster. Het gebied was 10 jaar geleden een vrij onbetekenend bedrijventerrein in een buitenwijk van Aarhus. Maar toevallig wel grenzend aan de universiteitscampus, die uit zn' jasje begon te groeien. Vooral ICT research groeide snel. Een aantal instituten opende een vestiging in Katrinebjerg: dichtbij de campus, en niet te duur. Al snel volgden er meer. Ook een business incubator opende een kantoor in het gebied, en het Alexandra instituut (een soort TNO instelling, met 100 medewerkers; doet top-level toegepast IT onderzoek). Inmiddels werken er 1800 IT experts in het gebied, en binnenkort opent ook de hogeschool er haar IT faculteit. Een handjevol mensen vormen de drijvende kracht achter Katrinebjerg, waaronder de directeur van het Alexandra Instituut, de decaan van de IT faculteit, en de decaan van de hogeschool. Er is een heel sterk informeel netwerk. Een ondernemer die ik sprak noemt de universiteit 'onze R&D afdeling hier om de hoek'.

Langzaam maar zeker is Katrinebjerg dus veranderd van een gewoon bedrijventerrein in een IT hotspot. Maar niet helemaal: er zit ook een braadworstenfabriek, een autosloperij, en een groot lelijk winkelcentrum, en die willen allemaal niet weg. De prijzen van vastgoed zijn in tien jaar verdrievoudigd, een veel snellere stijging dan gemiddeld in Aarhus. Maar de kwaliteit van de publieke ruimte is matig, en als je er bent heb je totaal geen idee dat je in een technologiehotspot bent. En niemand in Arhus (en laat staan daarbuiten) weet wat Katrinebjerg intussen is.

De leidende figuren in het cluster zien intussen het belang in van een goed georganiseerd gebied met meer uitstraling. Er is een Masterplan gemaakt, alleen helaas: de stad heeft geen geld om het uit te voeren. Politici investeren momenteel liever in schone technologie en waterfront development in de haven van Aarhus, dat scoort beter. En door de crisis blijven private investeerders ook weg. Men zoekt nu naar een model voor gebiedsmanagement. Niet te zwaar en bureaucratisch: het uitstekend functionerende informele netwerk mag niet 'kapotgeorganiseerd' worden. Aan mij was de taak om een discussie te modereren hoe zo'n model eruit kan zien. We kwamen uit op een soort 'clubmodel' waarbij de leden van de nieuw op te richten 'Katrinebjerg Club' een jaarlijkse fee betalen. Dat geld kan worden besteed aan gebiedsmarketing of het verbeteren van de publieke ruimte, of evenementen in het gebied.
Benieuwd hoe dat gaat uitpakken.




maandag 21 september 2009

Kun je succesvollle 'innovatiesystemen' plannen?

Hoe kunnen regio's succesvolle clusters ontwikkelen? Frans Nauta (Hogeschool Arnhem-Nijmegen) onderzocht 5 succesvolle regio's. Uitgangspunt was om na te gaan wat te leren valt van specifieke regionale innovatiesystemen voor clustervorming in de regio Arnhem-Nijmegen, en hoe de kennis omtrent succes- en faalfactoren kan bijdragen aan de ontwikkeling van een strategische innovatieagenda rondom de 4 beleidsthema´s in de regio Arnhem- Nijmegen (gezondheid, halfgeleiders, duurzame energie en mode & design).
Centrale conclusie uit het project is dat succes geen toeval is, maar in alle onderzochte gevallen het resultaat is van een goede en langdurige samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden (denk aan 10 jaar!). Voorwaarde hiervoor is bestuurlijk commitment in de regio. Het hele rapport is hier te vinden:

Het is een prima lezend verhaal, waar veel beleidsmakers hun winst mee kunnen doen; Helaas staat er niet al te veel in wat we nog niet wisten. En er zit ook een rare paradox in. Aan de ene kant concludeert het rapport terecht dat regio's zich moeten specialiseren: probeer niet alles te stimuleren, maar alleen datgene waarin de regio echt onderscheidend is. Je zou vervolgens een dringend advies verwachten aan het adres van de bestuurders in de regio Arnhem/Nijmegen: stop met het stimuleren van vier clusters: concentreer je op een of hooguit twee. Of was zo'n conclusie politiek niet haalbaar?

Maakbaarheid?
Ook ademt het rapport een sfeer van maakbaarheid. Succes is 'geen toeval', en dat suggereert ook dat innovatie in hoge mate door regionale/lokale overheden (bij) te sturen is. De vraag is in hoeverre dat zo is. Niemand heeft Silicon Valley bewust gepland, het is ontstaan door een veelheid van factoren die samenkwamen op een bepaalde plek (inderdaad, ook overheidsbeleid speelde daar een belangrijke rol, maar dat beleid was er niet op gericht om Silicon Valley te creeren; dat was een mooi bijproduct). En dat geldt voor meer clusters. Veel prachtclusters hebben helemaal geen 'trekker': het zijn gewoon heel veel kleine bedrijfjes in een bepaalde sector (bijvoorbeeld de creatieve industrie) die zich aangetrokken voelen tot een bepaald stedelijk milieu, en die op projectbasis wel eens samen wat doen. Bestuurders kunnen daar niet zoveel mee en worden er soms zelfs boos om (Ad Scheepbouwer gaf de Amsterdamse creatieve industrie onlangs een 'gele kaart' omdat ze zo weinig georganiseerd zijn! Ik zou zeggen: ga zo door!).

Rent seeking
Het risico van een actief clusterbeleid is dat je op de verkeerde paarden gaat wedden, terwijl er ergens anders alweer een nieuw groeibriljantje 'bottom up' aan het ontstaan is. Het gevaar van rent seeking is er altijd: (grote) bedrijven die de overheid verleiden om hun industrie tot 'speerpuntcluster' te verklaren, om vervolgens daar allerlei voordelen uit te halen.
Hoe kunnen ambtenaren weten waar de groei van de toekomst vandaan gaat komen? Er valt wat voor te zeggen om als overheid helemaal geen keuze's te maken maar alleen te faciliteren en te zorgen voor een aantrekkelijk woon- en leefklimaat en vestigingsklimaat. Als de hoogopgeleiden in Arnhem-Nijmegen komen wonen, volgen de innoverende bedrijven vanzelf. Dat laat onverlet dat bedrijfsleven en kennisinstellingen er allebei baat bij hebben om met elkaar samen te werken, maar daar hebben ze de overheid niet voor nodig.

maandag 24 augustus 2009

Het is crisis. Meer investeren in wetenschap?


Bijna iedereen vindt nu dat het kabinet te weinig in kennis en innovatie investeert, waardoor knappe koppen naar het buitenland vertrekken. Waar Frankrijk en Duitsland de economische crisis aangrijpen om wetenschappelijk toptalent terug te lokken uit de VS, laat Nederland dat na. Extra investeringen in kennis en innovatie ontbreken momenteel, meldt de Volkskrant (21.8.2009) "Een gemiste kans", zegt Robbert Dijkgraaf, president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). De positie van Nederland als kenniseconomie is al jaren in het gedrang. Door de crisis en de opkomst van nieuwe kenniseconomieën in Azië is de problematiek des te urgenter, meent Sylvester Eijffinger van de Universiteit van Tilburg, tevens gasthoogleraar aan Harvard University. "Wil je als kennisland internationaal kunnen meedraaien, dan moet je 3 tot 4% van je BBP in onderzoek en ontwikkeling investeren. In Nederland blijven we hangen op het OESO-gemiddelde van 1,5%. Alexander Pechtold gaf onlangs al aan dat het OESO-gemiddelde niet goed genoeg is voor Nederland.

Volgens mij valt er heel wat aan te merken op deze argumentaties. Ten eerste: een BBP-norm voor uitgaven aan R&D is onzinnig. Het is een norm voor uitgaven, en dat zegt nog niets over de effectiviteit en efficientie van de besteding ervan. Portugal is een schrikbarend voorbeeld. Daar zijn de R&D uitgaven aan universiteiten de afgelopen enorm opgeschroefd, maar het effect op de economie is zeer gering omdat het bedrijfsleven weinig tot niets kan met academsiche kennis die wordt gecreerd op de universiteiten. Het absorberend vermogen is te gering. In Nederland speelt dat ook in zekere mate: veel PhDs in biologie en biomedische wetenschappen die hier wetenschappelijk zijn opgeleid (vaak zijn het trouwens niet eens Nederlanders) vetrekken na het behalen van hun titel naar de VS of UK, want daar zitten de grote ondernemingen met hun R&D afdelingen. Even heel gechargeerd, wat doen we dus in Nederland: we leiden Polen en Chinezen op die daarna in de VS geld gaan verdienen. Wordt onze kenniseconomie daar sterker van?

Geleerden in de bedrijfskunde hebben overigens allang ondekt dat de hoogte van R&D investeringen weinig tot niets zegt over het innovatieve vermogen van een bedrijf. Een veelheid van softe, organisatorische factoren speelt een rol, en het vereist echt een goede analyse om na te gaan wat precies daarbinnen de rol van R&D uitgaven is. En dat geld voor landen ook.

En dan nog iets: Nederland is, veel meer nog dan Duitsland en Frankrijk, een diensteneconomie. Ondanks onze lage uitgaven aan R&D zijn we bijna het rijkste land van de EU. Dat moet de heer Dijkgraaf en andere doemdenkers haast een doorn in het oog zijn, en ik ben benieuwd hoe hij dit verklaart. Maar volgens mij betekent het dat we in Nederland juist het stimlueren van innovatie in dienstensectoren hoogste priorteit moeten geven. Een interessante vraag is welk type wetenschappelijk onderzoek nodig is om diensteninnovaties te bevorderen. Maar in het debat gaat het bijna altijd over technolologie en beta wetenschappen.








donderdag 30 juli 2009

Parijs gaat klimaatneutraal: Autolib’

Gelezen in Le Figaro, mijn favoriete Franse krant.

Parijs bindt de strijd aan met de files en de luchtvervuiling. Al sinds een paar jaar kent Parijs de Velolib’: huurfietsen die je op heel veel plekken kunt afhalen en terugbrengen. Het geldt als een groot succes: er wordt enorm veel gebruik van gemaakt, en fietsen in Parijs is nu hip in plaats van levensgevaarlijk. De flamboyante burgemeenter van Parijs, Bertrand Delanoe, is vastbesloten om dit succes te herhalen, maar dan met milieuvriendelijke auto’s. Vanaf 2010 moeten er 3000 tot 4000 electrische auto’s gaan rijden, die je kunt afhalen of terugbrengen bij 1400 locaties (waarvan 700 in Parijs en 700 in de voorsteden en omliggende gemeenten). Een abonnement gaat 15 á 20 Euro per maand kosten, en het gebruik van de auto kost nog eens 5 á 6 euro per half uur. Er is keuze uit twee modellen: één met twee zitplaatsen, en één met vier plus een kofferbak. Drie consortia hebben zich inmiddels gemeld om het ‘business model’ verder te ontwikkelen en uit te voeren. Onder de geïntereseerde partijen zijn de SNCF (Franse spoorwegen), de RATP (het Parijse OV bedrijf), en autoverhuurbedrijven (Hertz en AVIS). De Franse autoindustrie is ook blij met het initiatief : het geeft bedrijven als Renault en PSA de kans om hun achterstand op het gebied van electronische auto’s weg te werken (en er meteen veel te verkopen).

Ik vind het plan vooral interessant omdat het vernieuwend én grootschalig is (en dat lukt in Nederland haast nooit want elk stadje doet z’n eigen leuke dingen). Als het allemaal doorgaat beschikt de regio Parijs (10 miljoen inwoners) straks in één klap over een dekkende infrastructuur voor electronische auto’s (oplaadpunten, service etc.) die ook door individuele bezitters van electronische auto’s gebruikt kan worden. Dat gaat echt verschil maken in uitstoot, geluid, en misschien ook parkeerdruk. Cruciaal is dat de hele regio Parijs meedoet: zo wordt ook het forensenverkeer beïnvloed. We blijven het volgen!

Voor meer info (in het Frans, dat wel): http://www.lefigaro.fr/automobile/2009/07/23/03001-20090723ARTFIG00256-la-sncf-et-la-ratp-interessees-par-autolib-.php

woensdag 24 juni 2009

Eindhoven slimmer dan Amsterdam

Sind kort kunnen bedrijven die in de problemen zitten (en welk bedrijf zit dat niet) hun kenniswerkers op kosten van de staat detacheren bij universiteiten en andere kennisinstellingen (zie mijn vorige bericht). Een hele slechte regeling, maar wel aantrekkelijk voor bedrijven die R&D personeel in dienst hebben. Het idee voor de regeling is afkomstig uit het Eindhovense. Logisch, want daar zitten ook de meeste R&D bedrijven, maar toch: de Brabanders kregen het wel voor elkaar dat de minister flink haar portemonnee trekt: 180 miljoen! Het is een typisch staalje Endhovense lobby-power en organiserend vermogen. Meteen werd in de regio een grootscheepse campagne opgestart om bedrijven en kennisinstellingen op de regeling attent te maken. De Technische Universiteit en de hogescholen staan klaar om de kenniswerkers op te nemen. De Stichting Brainport (de aanjager van innovatie in de regio Eindhoven) brengt alle partners samen, organiseert voorlichtingsbijeenkomsten en treedt op als matchmaker (zie http://www.brainport.nl/). Daar zijn de Eindhovenaren meesters in: de regio heeft haar kenniseconomie goed georganiseerd. We kunnen er zeker van zijn dat een flink deel van de subsidies die kant opgaat.

Hoe anders is het in Amsterdam. Hier geen geco-ordineerde aanpak, geen voorlichtingsbijeenkomsten voor bedrijven en kennisinstellingen, geen lobby richting Den Haag, niks. Het is ieder voor zich en god voor ons allen. De AIM (‘Amsterdam Innovatie Motor’, ) houdt zich afzijdig, ondanks haar missie om ‘de toonaangevende positie van de regio Amsterdam in de kenniseconomie te helpen behouden en te versterken’. Ik heb de websites van de UvA, de VU en de Hogeschool van Amsterdam gecheckt: geen woord over de regeling, terwijl er toch ook voor kennisinstellingen wel wat te halen valt, zoals geld voor begeleiding, en jonge onderzoekers. Ook andere gremia (de kenniskring, Syntens) laten het afweten. En waarom heeft ‘Amsterdam’ eigenlijk niet geprobeerd om de regeling op te rekken zodat ook niet-technologische kennisbedrijven konden profiteren?

Het probleem is natuurlijk dat ‘Amsterdam’ niet bestaat. We hebben in de hoofdstad geen sterke club zoals het Eindhovense Brainport, die door alle regionale spelers wordt gedragen en gerespecteerd (en, niet onbelangrijk, van middelen wordt voorzien). Waarom eigenlijk niet? Wie het weet mag het zeggen.

donderdag 4 juni 2009

Hoe innovatief zijn Amsterdamse dienstverleners

Twee studenten van de Hogeschool van Amsterdam (Dewi en Shanta Werkhoven) zochten uit hoe innovatief Amsterdamse bedrijven zijn. Ze deden een onderzoek onder 142 bedrijven, met name in de zakelijke dienstverlening. Voor de verandering keken ze nu eens niet naar technische innovaties en R&D uitgaven (dat is al zo vaak gedaan) maar vooral naar de softe kant van innovatie. Vernieuwing is mensenwerk, en vaak loopt het stuk op gebrekkige communicatie, een conservatieve bedrijfcultuur, of omdat mensen domweg niet in de gelegenheid worden gesteld om met iets nieuws te komen of zichzelf te ontwikkelen. Inmiddels staat vast dat 75% van het innovatiesucces van een bedrijf wordt bepaald door sociale innovaties zoals slimmer werken en managen, talentontwikkeling en organisatie (zie Volberda, Van den Bosch en Jansen, 2006). Wat doen bedrijven om goede ideen bij hun werknemers naar boven te halen en er ook iets meet te doen? Mogen werknemers risico's nemen en fouten maken (al doende leert men); weet het management waar ze naartoe wil?

Uit het onderzoek blijkt dat de Amsterdamse dienstverleners het lang niet slecht doen. Op veel indicatoren scoren ze goed. Bijvoorbeeld: meer dan 80% van de bedrijven ziet met maken van fouten vooral als leerproces. In ruim 70% van de bedrijven is levenslang leren de norm; Meer dan 80% werkt hoofdzakelijk in teamverband, vaak interdisciplinair, en bijna alle bedrijven verzamelen structureel ideeen van werknemers en doen er ook wat mee.
Veel bedrijven zitten wel vast in een rigide organisatiecultuur. Bij meer dan de helft van de bedrijven liggen de werkzaamheden vast in gedetailleerde functe- en taakomschrijvingen (nier erg bevorderlijk voor 'out of the box' denken) en ook regels en procedures staan vernieuwingen nogal eens in de weg.

Natuurlijk kleven er nadelen aan zo'n onderzoek. Het blijft bijvoorbeeld onduidelijk wat het verband is tussen deze factoren en waar het allemaal om gaat bij een bedrijf: tevreden klanten, meer winst, meer omzet, een groter marktaandeel.

Amsterdamse arogantie en crisis
De studenten stelden nog een paar leuke en actuele vragen. Een over de vermeende Amsterdamse arrogantie: Vindt u dat Amsterdamse bedrijven in uw branche innovatiever zijn dan bedrijven elders? 33% dacht van wel....
En dan nog de crisis. Blijven bedrijven innoveren in deze barre tijden? Een kleine minderheid doet een stap terug (17%), de meesten blijven constant (47%), en 36% gaat juist meer innoveren! Op de langere termijn zijn de ambities nog hoger: Meer dan de helft van de bedrijven verwacht de komende drie jaar meer aan innovatie te gaan doen. Crisis of niet.