zaterdag 3 oktober 2009

Spontaan gegroeide techno-hotspots

De beste technologie-hotspots zijn vaak niet als zodanig gepland. Silicon Valley is het klassieke voorbeeld maar er zijn er meer. In Aarhus heb ik er ook weer een gevonden.
Aarhus is de tweede stad van Denemarken. Het is een universiteitsstad: liefst 40.000 studenten op een bevolking van 300.000 (lijkt een beetje op Utrecht qua omvang en studentendichtheid). De universiteit behoort tot de de betere van Europa. Opvallend is dat de economie van Aarhus de laatste 10 jaar sneller is gegroeid dan die van de hoofdstad Kopenhagen, en dat heeft veel te maken met de sterke kennisbasis. De laatste jaren zijn er heel veel kennisintensieve bedrijven bijgekomen: start-ups, maar ook internationale high tech bedrijven zoals Google die de lokale kennis en talent willen aftappen. De stad blinkt uit in een klein aantal sterke kennis-industrieen: informatietechnologie, windenergie, en biotech.

Ik was drie dagen in Aarhus om een analyse te maken van een van de techno-hotspots van de stad: IT city Katrinebjerg. Het is een typisch voorbeeld van een organisch ontstaan cluster. Het gebied was 10 jaar geleden een vrij onbetekenend bedrijventerrein in een buitenwijk van Aarhus. Maar toevallig wel grenzend aan de universiteitscampus, die uit zn' jasje begon te groeien. Vooral ICT research groeide snel. Een aantal instituten opende een vestiging in Katrinebjerg: dichtbij de campus, en niet te duur. Al snel volgden er meer. Ook een business incubator opende een kantoor in het gebied, en het Alexandra instituut (een soort TNO instelling, met 100 medewerkers; doet top-level toegepast IT onderzoek). Inmiddels werken er 1800 IT experts in het gebied, en binnenkort opent ook de hogeschool er haar IT faculteit. Een handjevol mensen vormen de drijvende kracht achter Katrinebjerg, waaronder de directeur van het Alexandra Instituut, de decaan van de IT faculteit, en de decaan van de hogeschool. Er is een heel sterk informeel netwerk. Een ondernemer die ik sprak noemt de universiteit 'onze R&D afdeling hier om de hoek'.

Langzaam maar zeker is Katrinebjerg dus veranderd van een gewoon bedrijventerrein in een IT hotspot. Maar niet helemaal: er zit ook een braadworstenfabriek, een autosloperij, en een groot lelijk winkelcentrum, en die willen allemaal niet weg. De prijzen van vastgoed zijn in tien jaar verdrievoudigd, een veel snellere stijging dan gemiddeld in Aarhus. Maar de kwaliteit van de publieke ruimte is matig, en als je er bent heb je totaal geen idee dat je in een technologiehotspot bent. En niemand in Arhus (en laat staan daarbuiten) weet wat Katrinebjerg intussen is.

De leidende figuren in het cluster zien intussen het belang in van een goed georganiseerd gebied met meer uitstraling. Er is een Masterplan gemaakt, alleen helaas: de stad heeft geen geld om het uit te voeren. Politici investeren momenteel liever in schone technologie en waterfront development in de haven van Aarhus, dat scoort beter. En door de crisis blijven private investeerders ook weg. Men zoekt nu naar een model voor gebiedsmanagement. Niet te zwaar en bureaucratisch: het uitstekend functionerende informele netwerk mag niet 'kapotgeorganiseerd' worden. Aan mij was de taak om een discussie te modereren hoe zo'n model eruit kan zien. We kwamen uit op een soort 'clubmodel' waarbij de leden van de nieuw op te richten 'Katrinebjerg Club' een jaarlijkse fee betalen. Dat geld kan worden besteed aan gebiedsmarketing of het verbeteren van de publieke ruimte, of evenementen in het gebied.
Benieuwd hoe dat gaat uitpakken.




maandag 21 september 2009

Kun je succesvollle 'innovatiesystemen' plannen?

Hoe kunnen regio's succesvolle clusters ontwikkelen? Frans Nauta (Hogeschool Arnhem-Nijmegen) onderzocht 5 succesvolle regio's. Uitgangspunt was om na te gaan wat te leren valt van specifieke regionale innovatiesystemen voor clustervorming in de regio Arnhem-Nijmegen, en hoe de kennis omtrent succes- en faalfactoren kan bijdragen aan de ontwikkeling van een strategische innovatieagenda rondom de 4 beleidsthema´s in de regio Arnhem- Nijmegen (gezondheid, halfgeleiders, duurzame energie en mode & design).
Centrale conclusie uit het project is dat succes geen toeval is, maar in alle onderzochte gevallen het resultaat is van een goede en langdurige samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden (denk aan 10 jaar!). Voorwaarde hiervoor is bestuurlijk commitment in de regio. Het hele rapport is hier te vinden:

Het is een prima lezend verhaal, waar veel beleidsmakers hun winst mee kunnen doen; Helaas staat er niet al te veel in wat we nog niet wisten. En er zit ook een rare paradox in. Aan de ene kant concludeert het rapport terecht dat regio's zich moeten specialiseren: probeer niet alles te stimuleren, maar alleen datgene waarin de regio echt onderscheidend is. Je zou vervolgens een dringend advies verwachten aan het adres van de bestuurders in de regio Arnhem/Nijmegen: stop met het stimuleren van vier clusters: concentreer je op een of hooguit twee. Of was zo'n conclusie politiek niet haalbaar?

Maakbaarheid?
Ook ademt het rapport een sfeer van maakbaarheid. Succes is 'geen toeval', en dat suggereert ook dat innovatie in hoge mate door regionale/lokale overheden (bij) te sturen is. De vraag is in hoeverre dat zo is. Niemand heeft Silicon Valley bewust gepland, het is ontstaan door een veelheid van factoren die samenkwamen op een bepaalde plek (inderdaad, ook overheidsbeleid speelde daar een belangrijke rol, maar dat beleid was er niet op gericht om Silicon Valley te creeren; dat was een mooi bijproduct). En dat geldt voor meer clusters. Veel prachtclusters hebben helemaal geen 'trekker': het zijn gewoon heel veel kleine bedrijfjes in een bepaalde sector (bijvoorbeeld de creatieve industrie) die zich aangetrokken voelen tot een bepaald stedelijk milieu, en die op projectbasis wel eens samen wat doen. Bestuurders kunnen daar niet zoveel mee en worden er soms zelfs boos om (Ad Scheepbouwer gaf de Amsterdamse creatieve industrie onlangs een 'gele kaart' omdat ze zo weinig georganiseerd zijn! Ik zou zeggen: ga zo door!).

Rent seeking
Het risico van een actief clusterbeleid is dat je op de verkeerde paarden gaat wedden, terwijl er ergens anders alweer een nieuw groeibriljantje 'bottom up' aan het ontstaan is. Het gevaar van rent seeking is er altijd: (grote) bedrijven die de overheid verleiden om hun industrie tot 'speerpuntcluster' te verklaren, om vervolgens daar allerlei voordelen uit te halen.
Hoe kunnen ambtenaren weten waar de groei van de toekomst vandaan gaat komen? Er valt wat voor te zeggen om als overheid helemaal geen keuze's te maken maar alleen te faciliteren en te zorgen voor een aantrekkelijk woon- en leefklimaat en vestigingsklimaat. Als de hoogopgeleiden in Arnhem-Nijmegen komen wonen, volgen de innoverende bedrijven vanzelf. Dat laat onverlet dat bedrijfsleven en kennisinstellingen er allebei baat bij hebben om met elkaar samen te werken, maar daar hebben ze de overheid niet voor nodig.

maandag 24 augustus 2009

Het is crisis. Meer investeren in wetenschap?


Bijna iedereen vindt nu dat het kabinet te weinig in kennis en innovatie investeert, waardoor knappe koppen naar het buitenland vertrekken. Waar Frankrijk en Duitsland de economische crisis aangrijpen om wetenschappelijk toptalent terug te lokken uit de VS, laat Nederland dat na. Extra investeringen in kennis en innovatie ontbreken momenteel, meldt de Volkskrant (21.8.2009) "Een gemiste kans", zegt Robbert Dijkgraaf, president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). De positie van Nederland als kenniseconomie is al jaren in het gedrang. Door de crisis en de opkomst van nieuwe kenniseconomieƫn in Aziƫ is de problematiek des te urgenter, meent Sylvester Eijffinger van de Universiteit van Tilburg, tevens gasthoogleraar aan Harvard University. "Wil je als kennisland internationaal kunnen meedraaien, dan moet je 3 tot 4% van je BBP in onderzoek en ontwikkeling investeren. In Nederland blijven we hangen op het OESO-gemiddelde van 1,5%. Alexander Pechtold gaf onlangs al aan dat het OESO-gemiddelde niet goed genoeg is voor Nederland.

Volgens mij valt er heel wat aan te merken op deze argumentaties. Ten eerste: een BBP-norm voor uitgaven aan R&D is onzinnig. Het is een norm voor uitgaven, en dat zegt nog niets over de effectiviteit en efficientie van de besteding ervan. Portugal is een schrikbarend voorbeeld. Daar zijn de R&D uitgaven aan universiteiten de afgelopen enorm opgeschroefd, maar het effect op de economie is zeer gering omdat het bedrijfsleven weinig tot niets kan met academsiche kennis die wordt gecreerd op de universiteiten. Het absorberend vermogen is te gering. In Nederland speelt dat ook in zekere mate: veel PhDs in biologie en biomedische wetenschappen die hier wetenschappelijk zijn opgeleid (vaak zijn het trouwens niet eens Nederlanders) vetrekken na het behalen van hun titel naar de VS of UK, want daar zitten de grote ondernemingen met hun R&D afdelingen. Even heel gechargeerd, wat doen we dus in Nederland: we leiden Polen en Chinezen op die daarna in de VS geld gaan verdienen. Wordt onze kenniseconomie daar sterker van?

Geleerden in de bedrijfskunde hebben overigens allang ondekt dat de hoogte van R&D investeringen weinig tot niets zegt over het innovatieve vermogen van een bedrijf. Een veelheid van softe, organisatorische factoren speelt een rol, en het vereist echt een goede analyse om na te gaan wat precies daarbinnen de rol van R&D uitgaven is. En dat geld voor landen ook.

En dan nog iets: Nederland is, veel meer nog dan Duitsland en Frankrijk, een diensteneconomie. Ondanks onze lage uitgaven aan R&D zijn we bijna het rijkste land van de EU. Dat moet de heer Dijkgraaf en andere doemdenkers haast een doorn in het oog zijn, en ik ben benieuwd hoe hij dit verklaart. Maar volgens mij betekent het dat we in Nederland juist het stimlueren van innovatie in dienstensectoren hoogste priorteit moeten geven. Een interessante vraag is welk type wetenschappelijk onderzoek nodig is om diensteninnovaties te bevorderen. Maar in het debat gaat het bijna altijd over technolologie en beta wetenschappen.